1877 Jeugdzorg en jeugdbeweging
De ontdekking van de jeugdvorming
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

“Jeugd” als herkenbare levensfase tussen kindertijd en volwassenheid heeft in de maatschappij niet voor alle jongeren altijd bestaan. Tot de Eerste Wereldoorlog bestond ze alleen maar voor de studerende jeugd, afkomstig uit de sociale bovenlaag. Pas de geleidelijke veralgemening van het middelbaar onderwijs gaf de menselijke levensloop een duidelijke segmentering zodat “jeugd” een realiteit werd voor allen.

In Vlaanderen gebeurde dat maar pas ten dele in het interbellum en volledig na 1945. Voordien was het grootste deel van de jeugd ingeschakeld in het arbeidsproces. Voor hun “verheffing” ontstond in de 19e eeuw de paternalistische kerkelijke zorg door de oprichting van patronaten waar vorming werd geboden in spel en ontspanning, maar ook studie en gebed. Rond die tijd probeerden volwassenen ook jongeren te mobiliseren voor politieke doelen wat leidde tot de oprichting van katholieke, liberale en socialistische Jonge Wachten.

Toch ontstond er in Vlaanderen ook een eerste jeugdbeweging als nieuwe vorm van samen jong zijn. Het was de Katholieke Vlaamse Studentenbeweging die onder impuls van Albrecht Rodenbach in 1877 een eerste bundeling kende en tot 1935 bestond. Ze bracht in plaatselijke bonden scholieren, seminaristen en universiteitsstudenten samen, beschouwde zich als deel van de katholieke Vlaamse beweging, richtte zich op vorming maar met het oog op maatschappelijk engagement nu en later, en had kenmerken van zowel studentenbeweging, die zich als jeugdformatie wilde inschakelen in de katholieke Vlaamse beweging, als van een vrije jeugdbeweging – want niet onder toezicht van de Kerk – die streefde naar zelfvorming in groep.

Mobilisering van de jeugd voor kerkelijke en politieke doelen in vormings- en strijdformaties, kende een hoogtepunt in het interbellum en liet geen plaats meer voor “vrije” jeugdbewegingen. Met de lancering van de Katholieke Actie, waarvan sinds 1924 de KAJ van priester Jozef Cardijn het model was, plaatste de Kerk alle bestaande jeugdverenigingen onder kerkelijk toezicht. In de socialistische zuil ontstonden in 1928 nieuwe Vlaamse groepen van de Arbeidersjeugd, met eigen jeugdbewegingsstijl en ook de nieuwe ordepartijen Verdinaso, VNV en Rex bouwden eigen jeugdformaties op.

Vanaf eind jaren 30 zorgde een nieuw jeugdig zelfbewustzijn ervoor dat de klemtoon verschoof naar de  jeugdbewegingsmethodiek zoals die al sinds de jaren 20 ontwikkeld werden in scouting, in sommige katholieke jeugdgroepen, maar ook bij de socialistische arbeidersjeugd. De klemtoon verschoof naar openluchtleven, zelfwerkzaamheid en creatieve expressie. In de jaren 50 en het begin van de jaren 60 kende de jeugdbeweging een echte bloei. Pedagogen consacreerden ze tot “het derde opvoedingsmilieu” naast school en gezin. Dat ging gepaard met een theoretische onderbouwing van de eigen methodiek en de uitbouw van de kadervorming, de differentiëring van het activiteitenpatroon naar de leeftijd, de stilering en de kwalitatieve verbetering van tijdschriften, de reglementering van het uniform en het zich manifesteren in de publieke ruimte op grootse jubelvieringen. Een groot aantal jongeren voelde zich tot de jeugdbeweging aangetrokken. De katholieke jeugdbewegingen bvb. zagen hun gezamenlijk ledenbestand tussen 1950 en 1977 nagenoeg verviervoudigen.

Het hele jeugdbestel bleef evenwel tot de jaren 60 sterk verzuild. Geleidelijk aan verschoof de ideologie wel naar de achtergrond en kwam het zwaartepunt te liggen op persoonlijkheidsvorming door het groepsleven. Halfweg de jaren 60 – met een toenemende ontzuiling – lag de weg open voor een heroriëntering en differentiëring van het jeugdwerk, en voor een grotere inbreng van de overheid.
Tekst van prof.em.dr.Louis Vos.

Publicatiedatum: 17-05-2013
Datum laatste wijziging :18-03-2016
Auteur(s): Louis Vos,
Verder studeren
Literatuur
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste