1904 Ontheemd in het hoofd
De omkering van Van Mesdag - van opbergen naar behandelen
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In het begin van de twintigste eeuw werden mensen steeds meer gezien als maakbaar en veranderbaar. Mede door de opkomst van de psychiatrie was de dakloze, de zwerver, niet langer een hopeloos geval dat maar het beste uit beeld kon verdwijnen door hem af te voeren, maar een mens waar iets van te maken viel. Meer en meer werden daklozen object van psychologisch onderzoek, waarin wetenschappers op zoek gingen naar hun ware aard. Wat dreef de zwervers? Liepen ze weg voor verantwoordelijkheid? Wilden ze niet? Of konden ze niet? Was het onwil of onmacht?

Een mooi voorbeeld van dit nieuwe denken is de theorie van Synco van Mesdag, als arts tussen 1900 en 1903 verbonden aan Veenhuizen en vanaf 1905 geneesheer bij de strafgevangenis in Groningen, die veel later in de twintigste eeuw naar hem vernoemd zal zou worden (de tbs-inrichting Van Mesdagkliniek). Van Mesdag beargumenteerde in het Tijdschrift voor Strafrecht in 1904 dat er bij landlopers een omkering in hun psychische gesteldheid had plaatsgevonden. Bij een normaal mens waren gevoelens van lust en bevrediging gekoppeld aan arbeid, aan een normaal en geregeld bestaan, maar bij zwervers was die koppeling ‘omgekeerd’ en verbonden geraakt met het tegenovergestelde: niet-werken en een ongeregeld bestaan. Daarmee kwam ook de oplossing in zicht: probeer de positieve ervaringen opnieuw te koppelen aan zaken die met werken en een normaal geregeld bestaan te maken hebben. Vanuit dat perspectief, zo redeneerde Van Mesdag, had opsluiting en gevangenisstraf dus niet zoveel zin, maar behandeling wel.

Dit type psychologiserende redeneringen won snel veld. Het aantal veroordelingen voor landloperij nam dan ook vanaf het begin van de twintigste eeuw in gestaag tempo af. Werden er in 1890 zo’n 2700 mensen veroordeeld tot een verblijf in een Rijkswerkinrichting, in 1930 waren dat er nog maar zo’n 700 en in de jaren zestig was het teruggelopen tot enkele tientallen, waarna de teller in 1975 stopte bij drie. Tegelijkertijd groeide sinds het midden van de negentiende eeuw de populatie van de psychiatrische inrichtingen spectaculair: van 39 per 100.000 inwoners in 1850 naar 280 in 1930 – een stijging van 700 procent!
Deze forse toename wijst erop dat – mede als gevolg van wijzigingen in de Krankzinnigenwet (1884 en 1904) en de Armenwet (1912) – de toegankelijkheid van de psychiatrische zorg toenam, waardoor er veel voorzieningen bijkwamen. In het kielzog van die ontwikkeling belandden steeds meer mensen die voorheen als zwerver werden opgeborgen, vanaf het einde van de negentiende eeuw als patiënt in een inrichting. Dat oogt wellicht als vooruitgang, maar het had ook zeker zijn nadelen: velen kwamen er nooit meer uit. Begin twintigste eeuw was ruim drie kwart van de populatie van de psychiatrische inrichtingen chronisch.

Ook buiten de inrichtingen wonnen nieuwe denkbeelden over ‘asociale’ en ‘onmaatschappelijke’ mensen snel terrein. De Amsterdamse sociaal-psychiater Arie Querido (1901-1983) speelde in deze ontwikkeling een belangrijke rol. Querido was ervan overtuigd dat mensen zich naar hun omgeving vormden. Daaruit trok hij de conclusie dat de behandeling daar niet alleen rekening mee moest houden, maar dat de behandelaars ook in die omgeving moesten opereren. Querido werd om die reden wel als de eerste ‘rijdende psychiater’ getypeerd, nadat hij vanaf 1932 als eerste psychiater op mensen afging. In het kielzog van deze gedachtegang begonnen ook sociaal werkers steeds meer belangstelling te tonen voor psychologische verklaringen en interventies.

Begin eenentwintigste eeuw staat de praktijk van de maatschappelijke opvang meer dan ooit in het teken van behandelen. Natuurlijk worden er nog altijd daklozen opgepakt, bekeurd en tijdelijk opgesloten als de openbare orde in het geding is, maar er bestaat over het algemeen een brede consensus dat de weg naar herstel niet via het straffen verloopt maar via hulpverlening. Voor elke cliënt in de maatschappelijke opvang dient een behandelplan (zie: Het 8-fasenmodel) te worden opgesteld, waarin de route naar een zo normaal mogelijk bestaan wordt aangegeven.

Feit blijft dat een groot deel van de cliëntenpopulatie van de opvang heden ten dage kampt met psychiatrische problematiek, niet zelden chronisch van aard en nogal eens gecombineerd met verslavingsproblemen. Velen van hen zijn daarom langdurig op een voorziening voor beschermd of begeleid wonen aangewezen. Maar ondanks die blijvende ondersteuning is alles erop gericht hun een plek in de samenleving te bieden. Hun onrust is, om nog een keer met Synco van Mesdag te spreken, ‘ontkoppeld’ en tot bedaren gebracht. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat naast professionele begeleiding psychofarmaca daar tegenwoordig een meer dan substantiële bijdrage aan leveren.

Publicatiedatum: maart 2012,
laatste wijziging: 20 september 2012
Auteur: Jos van der Lans

Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Oosterhuis, Harry en Gijswijt-Hofstra, Marijke (2008), Verward van geest en ander ongerief.Psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg in Nederland (1870-2005). Deel I t/m III. Houten: Bohn Stafleu Van Lochum.
  • Goei, Leonie de (2001), Psychiatrie, cultuurkritiek en de beweging voor geestelijke volksgezondheid in Nederland, 1924-1970.  Nijmegen: uitgeverij SUN.
Literatuur
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Bewegende beelden
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste