1980 Soepbus
Hongerhulp - armentafels, gaarkeukens, soepbussen
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In de meeste grote steden van Nederland rijdt ’s avonds een soepbus de stad in. De meeste mensen zullen deze bussen associëren met het Leger des Heils, maar ook andere opvangvoorzieningen, zoals de Haagse Kessler-stichting, organiseren soepbussen. In een enkel geval, zoals de Herbergbus in Breda, wordt het project gerund door (kerkelijke) vrijwilligers. Via dergelijke mobiele bussen worden daklozen op straat voorzien van soep, brood, koffie en zo nodig dekens. Het is een manier om, zoals het Leger het uitdrukt, in contact te komen met mensen die ‘zelf geen hulp zoeken, maar wel aandacht kunnen gebruiken’.

Soep en het Leger des Heils zijn in de geschiedenis onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Soup, Soap and Salvation’ was het motto waarmee William en Catharine Booth in 1865 in Londen de Salvation Army oprichtten. De Salvation Army was een op het christelijk geloof gerichte beweging die via hulpverlening aan de onderkant van de samenleving (armoede, prostitutie, dakloosheid) aan evangelisatie werkte. In 1887 sloeg deze zendingsvonk over naar Amsterdam, waar de 21-jarige Gerrit Jurriaan Govaars het Nederlandse Leger des Heils oprichtte. Vanaf dat moment groeide het Leger uit tot een vooraanstaande (en tegenwoordig de grootste) organisatie op het terrein van de maatschappelijke opvang en andere vormen van hulpverlening. In 1980 startte het Leger in Amsterdam, nadat medewerkers een paar jaar rondom het Centraal Station met thermoskannen in de weer waren, met de eerste soepbus.

Het is niet toevallig dat het eerste contact tussen hulpverleners en mensen die huis en haard verloren hebben nogal eens ‘door de maag’ gaat, en dan in het bijzonder met soep en brood, want dat is goedkoop én voedzaam. Voedsel is immers de eerste levensbehoefte van de mens; honger de eerste ervaring van hen die nergens meer bij horen. In vrijwel alle schilderijen waarin men in het verleden poogde sociale zorg te verbeelden, wordt voedsel verstrekt.
Deze voedselverstrekking gebeurde overigens niet altijd uit louter nobele motieven. Hoe groter de honger onder de armen, des te groter het risico dat de hongerigen zouden gaan plunderen en roven. Het stillen van de honger was dus ook een vorm van ‘welbegrepen eigenbelang’ van de rijken. En door het te doen, door lid te worden van het armenbestuur of geld te geven aan de armenzorg verwierven de notabelen van de gemeente ook aanzien. Zo koppelde honger de armen aan de rijken en vice versa. Dat gold voor de armentafels die in de middeleeuwen achter in de kerken stonden, waar eten te krijgen was voor die armen die Gods woord vreesden en zich goed gedroegen. Dat gold voor de gaarkeukens die in de negentiende eeuw in de steden verschijnen om de armen van een voedzame maaltijd te voorzien en volksopstanden te voorkomen.

Maar die wat dubbele agenda laat onverlet dat er altijd mensen zijn opgestaan die dit werk ter hand namen. Niet omdat ze er zelf beter van wilden worden, niet omdat ze bang waren voor het gepeupel, maar simpel omdat ze het niet konden aanzien. Dat menselijke motief is altijd aanwezig geweest – noem het mededogen of geloven in medemenselijkheid. Dat laatste dreef bijvoorbeeld pater Poels (1926) in Tilburg, sinds 1968 drijvende kracht van een lokale opvangvoorziening, maar sinds zijn pensioen in 1990 actief als ‘broodpater’, die dagelijks door de straten van Tilburg fietst om brood te bezorgen bij mensen die in de problemen zitten.
Vanzelfsprekend is hongerhulp echter nooit geweest. Niet in het verleden, niet in het heden. Tegenwoordig vinden velen het bestaan van de soepbus (evenals van de voedselbanken) een schandvlek van onze beschaving. Anderen vrezen dat het verkeerd volk aantrekt. In Den Haag kondigde de gemeente eind 2011 aan de subsidie voor de soepbus (na 25 jaar) te beëindigen. Bezuinigingen zouden de gemeente daartoe nopen. Maar het feit dat een groot aantal Oost-Europeanen er dagelijks gebruik van maakte, speelde daar zeker ook een rol bij. Bestuurlijke medemenselijkheid heeft, zo weten we uit de geschiedenis, altijd grenzen gekend (zie: 1912 Eigen daklozen eerst).

Publicatiedatum: maart 2012,
laatste wijziging: 4 juni 2012.
Auteur: Jos van der Lans

Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Extra Commissies voor de Spijsuitdeling en de soeplokalen
In de tweede helft van de achttiende eeuw raakte de Nederlandse economie in het slop. Veeziekten en graanmisoogsten maakten vlees en brood tot luxeartikelen en zelfs vis werd duur. Begin negentiende eeuw was het volksvoedsel zeer eenzijdig geworden: driemaal daags aardappelen. Er verschenen overal steunlokalen, veelal soeplokalen genoemd, voor het uitdelen van voedsel. De lokalen werden gerund door Commissies voor Spijsuitdeling aan Behoeftigen, allemaal particuliere initiatieven. In Haarlem deelde men tweemaal per week zo’n duizend porties gortsoep uit aan de armen. Vet was de soep zeker niet. De porties werden gemaakt met water, zout, 150 pond beendergelei en 250 pond gort. In een flink aantal regionale archieven zijn veel documenten terug te vinden van het werk van deze commissies, die veelal pas in de twintigste eeuw met hun werkzaamheden zijn gestopt. Nogal eens beschikten deze commissies over een behoorlijk vermogen, waaruit allerlei – vaak lokale – particuliere fondsen zijn ontstaan, die tot op de dag van vandaag actief zijn.

Links
Bewegende beelden

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste