1891 Opvang van verslaafden
Van drank tot drugs – van bestrijding van het kwaad tot het voorkomen van schade
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Nederland was rond 1900 een ‘koninkrijk vol sloppen’, in de treffende typering van historicus Auke van der Woud. De industrialisatie en verstedelijking namen een hoge vlucht en veel Nederlanders leefden in armoedige omstandigheden. Ze dronken ook steeds meer. De consumptie van alcohol verdubbelde bijna tussen 1850 en 1880 en jenever verdrong bier als nationale volksdrank. Drankmisbruik leidde destijds bovendien sneller tot sociale verloedering dan nu. In 1860 kostte een liter jenever bijna een gulden, een bedrag waarvan een eenvoudig gezin van zo’n vijf personen anderhalve dag kon eten.
De ellende die een alcoholverslaving kon aanrichten, lag letterlijk op straat. Verwaarloosde kinderen zwierven rond, zieke of invalide daklozen zaten op stoepen, mannen sliepen hun roes uit in parken en portieken. Steeds meer burgers gingen openbare dronkenschap ervaren als probleem. De Drankwet van 1881 bepaalde dan ook dat ‘habituele dronkaards’ – mensen die zich regelmatig schuldig maakten aan openbare dronkenschap – moesten worden ‘opgezonden’ naar een Rijkswerkinrichting, in Hoorn of Veenhuizen. Daar werden ze onderworpen aan een regime van arbeid en tucht.

De pioniers van de verslavingszorg vonden dit echter geen goede oplossing. Dronkaards moesten volgens hen niet worden bestraft, maar gered uit roes en ellende. Het Leger des Heils opende rond 1900 verschillende opvanghuizen voor daklozen, onder wie veel drankzuchtigen. Ook de Volksbond tegen Drankmisbruik, een organisatie van welgestelde artsen, zakenlieden en politici, wilde een alternatief bieden voor de gevangenis. De Volksbond was oprichter van het sanatorium voor drankzuchtigen Hoog-Hullen in Eelde (1891) en van het Medische Consultatiebureau voor Alcoholisme in Amsterdam (1909). Tijdens het Interbellum ontstonden vervolgens ruim twintig consultatiebureaus voor alcoholisme door het hele land.

Drankzuchtigen bleken evenwel lastiger te genezen dan men had gehoopt. Ze vielen geregeld terug in onmatig alcoholgebruik. In de praktijk gingen de hulpverleners in de prille verslavingszorg dan ook vooral pragmatisch te werk. Ze probeerden de schade te beperken die een verslaving aanrichtte door schulden te saneren en bijstand, werk, kleding en huisvesting te regelen voor dronkaards en hun gezinnen. Sommige consultatiebureaus verstrekten zelfs voor aanzienlijke bedragen renteloze leningen om hun klanten uit handen te houden van woekeraars, die drankverslaafden graag geld leenden tegen torenhoge rentepercentages. Ook pensions maakten misbruik van alcoholisten. Die moesten soms hun hele pensioen afstaan aan de beheerders. Hulpverleners uit de verslavingszorg probeerden chronische alcoholisten in fatsoenlijke kosthuizen te plaatsen. Die waren er ook. In het pension van tante Koos in de Jordaan bijvoorbeeld woonden zware drinkers, die door deze moederlijke vrouw goed verzorgd werden.

De verslavingszorg is er kortom altijd mee bezig geweest om de maatschappelijke verloedering van verslaafden te voorkómen. Tijdens de heroïne-epidemie van de jaren zeventig en tachtig was dat opnieuw noodzakelijk. De afkickgerichte aanpak van de therapeutische gemeenschappen voor drugsverslaafden bleek niet voldoende. Veel gebruikers vielen terug of waren ‘ongemotiveerd’ voor behandeling. Zogenaamde alternatieve verslavingszorgers – een bont gezelschap van gelovigen, libertijnen en betrokken burgers – gingen opvang verlenen aan verloederde, rondzwervende heroïneverslaafden. In ‘huiskamerprojecten’ kregen zij een maaltijd, een douche, medische hulp, schone naalden en hulp bij het aanvragen van een uitkering of het zoeken naar woonruimte. Sommige instellingen boden ook nachtopvang voor verslaafden die door alle hulpinstanties waren ‘uitgekotst’. In de jaren negentig raakte deze werkwijze, die uitging van de aanvaarding van chronisch drank- en/of drugsgebruik, steeds meer geaccepteerd in de verslavingszorg. Ze kreeg nu ook een officiële naam: harm reduction, ofwel schadebeperking. Tegenwoordig is dit een gevestigde doelstelling van de verslavingszorg.

Verslaving heeft altijd een grote rol gespeeld in de maatschappelijke opvang. Drank en later drugs kunnen levens dermate ontwrichten dat mensen ontsporen en op straat belanden. De aard van de verslaving kan veranderen – de heroïne- en methadonverslaafden van de jaren zeventig en tachtig zijn op de terugtocht. Maar daarvoor treden nieuwe verslavingen, zoals gokken, in de plaats.
Omdat verslaving levens van mensen langdurig tekent, zijn verslavingszorg (behandeling) en opvang (begeleiding) de laatste jaren steeds meer naar elkaar gegroeid. In de provincie Gelderland leidde dat in 2007 tot een fusie van de grote verslavingszorginstelling De Grift met de opvangorganisatie Arcuris tot de nieuwe instelling IrisZorg.
In al deze institutionele ontwikkelingen rondom verslaving is eigenlijk één constante: alcohol. Drank blijft de grootste drug. Dat is sinds 1900 niet veranderd. Integendeel zelfs.

Publicatiedatum: 14-03-2012
Datum laatste wijziging :18-06-2016
Auteur(s): Gemma Blok,
Gereviseerd door Sonja Appelman
Verwante vensters
Extra 1891 Sanatorium voor drankzuchtigen Hoog-Hullen
In navolging van Duitsland werden door drankbestrijdersverenigingen sanatoria voor drankzuchtigen opgericht. In 1891 leidde dit in Nederland tot de oprichting van het sanatorium Hoog-Hullen in Eelde, op initiatief van vooral de Volksbond tegen Drankmisbruik. Deze instelling voor mannelijke alcoholisten van de Vereeniging tot Bevordering van het Herstel van Drankzuchtigen werd gefinancierd met geld uit giften en donaties. Hoog-Hullen bestaat nog steeds. Het complex maakt nu onderdeel uit van VVN (Verslavingszorg Noord Nederland), en de financiering is inmiddels geheel verankerd in de AWBZ.
Verder studeren
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Bewegende beelden



Voorlichtingsfilmpje van de verslavingskliniek Hoog-Hulle en het verhaal van Marian, alcoholverslaafd.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste