1981 CEP Conférence Permanente Européenne de la Probation
Europeanisering van reclassering
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
A long tradition of sharing ideas about probation practice in Europe (…) has led to a number of similar probation principles, methods and organizations across Europe. At the same time, since penal policy is the upshot of a complex of political, economic , social and cultural factors, interacting in unpredictable ways, there are tendencies towards difference as well.
Rob Canton, Professor Community and Criminal Justice, De Montfort University, Leicester.

Hoewel internationale uitwisseling van gedachten en praktijken binnen de reclassering vanaf het prille begin heeft plaatsgevonden, is van een institutionalisering pas sprake in het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw. Reclasseringdiensten in vrijwel alle landen van West-Europa kregen destijds te maken met een toenemend aantal buitenlandse ex-gedetineerden. In de hoop dat er in andere landen meer ervaring was met deze specifieke groep waarvan geleerd kon worden, zochten reclasseringdiensten contact met hun collega-organisaties in het buitenland. Het gevolg was een serie Europese conferenties gericht op ervaringsuitwisseling en kennisoverdracht.

In november 1981 besloten reclasseringorganisaties uit veertien West-Europese landen om een Europese koepelorganisatie voor de reclasseringssector op te richten. Deze kreeg de naam Conférence permanente européenne de la probation, afgekort CEP. CEP zou zich toeleggen op het verenigen van de Europese reclasseringssector en het stimuleren van kennisuitwisseling. De Nederlandse Algemene Reclasseringsvereniging bood aan het secretariaat van CEP op zich te nemen. Inmiddels is het secretariaat van CEP verzelfstandigd, maar houdt nog wel steeds kantoor in een van de panden van Reclassering Nederland, in Utrecht.

Vanaf het begin legde CEP zich toe op het verenigen van de Europese reclasseringssector en het stimuleren van kennisuitwisseling. Door dergelijke Europese kennisoverdracht kreeg de reclassering in Nederland onder meer de RISc, een gestandaardiseerd instrument om recidive in te schatten (RISc staat voor Recive Inschattings Schalen), dat geïnspireerd was op het Engelse OASYS (Offender Assesment System). Ook COSA kwam ons land binnen via Engeland. Vanuit Nederland verspreidde COSA zich verder over Vlaanderen, Catalonië, Letland en Bulgarije en wordt naar alle waarschijnlijkheid binnenkort als pilot geïntroduceerd in Ierland en Frankrijk.

In de jaren negentig nam de dynamiek in de ontwikkeling van reclassering in Europa in hoog tempo toe. Enerzijds kwam dit door de politieke en maatschappelijke hervormingen die in diverse Oost-Europese landen volgden op de ineenstorting van het communisme. Veel landen zetten met hulp van internationale instellingen reclasseringssystemen op, soms daartoe aangespoord door lokaal opererende ngo’s. Bij de nieuw opgerichte reclasseringsorganisaties bestond een grote behoefte om kennis over reclassering op te doen in landen met een langere traditie in reclassering. In het eerste decennium van de nieuwe eeuw zag CEP dan ook een sterke toename van leden uit Oost-Europa.

Anderzijds kwam de ontwikkeling van de reclasseringssector in Europa in een stroomversnelling door nieuwe Europese regelgeving. In 1992 nam de Raad van Europa de Probation Rules aan, waarmee een minimumstandaard voor reclassering in Europa werd vastgesteld. Op initiatief van CEP, dat haar taken ondertussen ook met pleitbezorging op Europees niveau had uitgebreid, scherpte de Raad van Europa de Probation Rules aan in 2010. Deze Rules zijn geformuleerd als een aanbeveling en hebben daarom een niet-bindend karakter. Van de Rules gaat echter wel een morele verplichting uit. Zo nam Roemenië de Probation Rules als uitgangspunt voor het formuleren van reclasseringswetgeving als onderdeel van de nieuwe strafrechtwetgeving die is aangenomen in 2014. Een andere recente aanbeveling van de Raad van Europa die direct van toepassing is op de ontwikkeling van reclassering in Europa, is de aanbeveling voor Elektronisch Toezicht, aangenomen in 2014.

Eveneens in 1992 besloot de Raad van Europa comparatieve statistische gegevens te verzamelen met betrekking tot reclasseringsstraffen in Europa. Dit initiatief staat bekend als SPACE II (SPACE staat voor Statistiques Pénales Annuelles du Conseil de l’Europe; SPACE I betreft statistische gegevens met betrekking tot gevangenisstraffen). Door de grote verscheidenheid aan reclasseringsstraffen in Europa is er veel kritiek op de mate waarin de verzamelde data met elkaar vergelijkbaar zijn. Desalniettemin wordt binnen de reclassering de waarde van comparatieve statistische gegevensverzameling voor de ontwikkeling van de reclassering in Europa algemeen erkend.

Dwingende Europese regelgeving kwam van de Europese Unie met het Kaderbesluit voor de overdracht van reclasseringsmaatregelen en alternatieve straffen in 2009. Hiermee werd het mogelijk dat een inwoner van de ene EU-lidstaat die een reclasseringsstraf kreeg opgelegd in een andere EU-lidstaat, de straf kon ondergaan in eigen land. Een vergelijkbaar mechanisme bestaat er voor alternatieven voor voorlopige hechtenis. Beide Kaderbesluiten zijn in Nederland verwerkt in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS).

Naast deze Kaderbesluiten heeft de EU dwingende regelgeving aangenomen die weliswaar niet direct reclassering behelst, maar daar wel op van invloed is. Een voorbeeld hiervan is de Richtlijn voor de bescherming van slachtoffers van stafbare feiten van 2012, die leidde tot een grotere aandacht voor de positie van slachtoffers binnen de reclassering in Nederland. Naar verwachting zal in de komende jaren Europese regelgeving een steeds belangrijker factor zijn voor de ontwikkeling van het vakgebied reclassering in Nederland. Diverse onderwijsinstellingen spelen hier op in. Zo hebben de Hogeschool Utrecht en Avans Hogeschool in samenwerking met zes Europese universiteiten een Europees curriculum voor Sociaal Werk in een strafrechtomgeving opgezet.

Publicatiedatum: 05-10-2015
Datum laatste wijziging :21-10-2015
Auteur(s): Koen Goei,
Verwante vensters
Extra Nederlandse gedetineerden in het buitenland
Binnen de reclassering neemt Bureau Buitenland de 'buitenlandse zaken' voor zijn rekening. Sinds de oprichting in 1975 richt dit onderdeel van Reclassering Nederland zich namens de drie Nederlandse reclasseringsorganisaties op het verlenen van hulp aan Nederlanders die vastzitten in het buitenland. Later kwamen hier nog drie andere taken bij: het in behandeling nemen van verzoeken tot Europese strafoverdracht, het helpen ontwikkelen van een reclasseringssysteem in landen die dit nog niet hebben en het ondersteunen van de Stichting Reclassering Caribisch Nederland.
De hulp van Bureau Buitenland begint pas nadat de gedetineerde hiervoor toestemming heeft gegeven. De hulpverlening vindt dus plaats op basis van vrijwilligheid en niet in gedwongen kader. De hulpverlening bestaat in de eerste plaats uit het verstrekken van informatie aan zowel de gedetineerde als het 'thuisfront' over justitiële procedures en alles wat daarbij komt kijken. Ook spoort Bureau Buitenland de gedetineerde aan zich goed voor te bereiden op zijn terugkeer naar Nederland.
Bureau Buitenland heeft een uitgebreid netwerk van locale vrijwilligers die gedetineerden regelmatig bezoeken. In 2013 waren 292 reclasseringsvrijwilligers actief in 56 landen. Zij bezochten 1.494 gedetineerden en legden 4.661 geregistreerde bezoeken af. Dit systeem is uniek in de wereld en wordt vaak aangehaald als best practice.
Verder studeren
Literatuur
  • Externe link A.M. van Kalmthout & I. Durnescu (red.)( (2008), Probation in Europe. Nijmegen: Wolf Legal Publishers.
  • Externe link I. Durnescu (2015), Probation in Europe.Updates Probation in Europe. Updates 2013-2015 voor sommige jurisdicties. Enkel gepubliceerd op CEP- website.
  • Daniel Flore, Stéphanie Bosly, Amandine Hohon and Jacqueline Maggio (red.) (2012), Probation Measures and Alternative Sanctions in the European Union. Cambridge: Intersentia.
  • F. Dunkel, J. Grzywa, P. Horsfield, I. Pruin (red.) in coop. with A. Gensing, M. Burman & D.OMahony (2011), Juvenile justice systems in Europe: current situation and reform developments; Volume 1-4.  Mönchengladbach Forum Verlag Godesberg. Tweede druk.
  • A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (red.) (2009), Pre-trial Detention in the European Union. An Analysis of Minimum Standards in Pre-trial Detention and the Grounds for Regular Review in the Member States of the EU. Nijmegen: Wolf Legal Publishers.
Aanvullend materiaal
Links
Bewegende beelden



Japan to host the 3rd World Congress on Probation in 2017.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste