1995 Jeugdreclassering
Pedagogische aandacht in een gedwongen kader
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
"Nu pik ik bij werkbezoeken de jeugdreclasseerders er zo uit. Het zijn absoluut niet meer de types met eindeloos begrip die niet durven optreden. Nee, het zijn werkers die een jongere bij de lurven pakken, maar op zijn tijd ook een aai over de bol geven. Dat duale karakter spreekt ze aan. Vroeger werkten bij de jeugdreclassering vooral gezinsvoogden die overgestapt waren, maar nu is het een zeer gemêleerd gezelschap. Je treft er mensen aan die in jeugdinrichtingen hebben gewerkt, straathoekwerker zijn geweest of zelfs in de fabriek of de haven hebben gewerkt."
Marius van der Kleij, beleidsmedewerker Vereniging van directeuren van voogdijinstellingen Vedivo in 2001, interview in artikel van G. Dulles, 'Jeugdreclassering nadert snel volwassenheid', Perspectief nr. 7, november 2001.

In de jaren zeventig nam de jeugdcriminaliteit toe. Kinderrechters werden met steeds ernstiger delicten geconfronteerd. Geweldpleging, straatroof, vandalisme. Welke aanpak was de beste? De kinderrechters legden meer dan vroeger strafrechtelijke ondertoezichtstellingen op. Hier begon zich een voorzichtige kentering af te tekenen in het Nederlandse jeugdstrafrecht dat vanouds waar mogelijk de strafrechtelijke veroordeling probeerde te vermijden. Sinds het ontstaan van Pro Juventute en de gezinsvoogdij lag de nadruk op pedagogische hulp en begeleiding. De voogdijverenigingen hadden vanuit hun hulpverleningsopvattingen twijfels over het gedwongen kader. Jeugdcriminaliteit werd vooral opgevat als een noodkreet van het kind. Het kind was in de eerste plaats slachtoffer en daarna pas dader.

De toegenomen problemen vroegen om nieuwe methoden. In Amsterdam vormden de voogdij instellingen een samenwerkingsverband met Humanitas. In 1979 had Humanitas voor jongeren die met justitie in aanraking waren gekomen een nieuwe begeleidings- en hulpverleningsaanpak ontwikkeld. Een officier van justitie kon van verdere vervolging afzien op voorwaarde dat de jongeren (ouder dan 17, later ouder dan 15,7 jaar) hulpverlening in het kader van dit project zou accepteren. Deze jongeren kampten met een reeks van problemen zoals: niet thuis wonen, schoolopleiding niet afgemaakt, geen werk, drugsgebruik, machteloze ouders.

In Rotterdam werd in dezelfde tijd een aanpak bedacht om jeugdcriminaliteit terug te dringen, en tegelijk te voorkomen dat jeugdigen een strafblad kregen. Preventief eigenlijk, om latere jeugdreclassering te voorkomen. In 1979 begonnen het openbaar vervoersbedrijf RET en de Rotterdamse politie het samenwerkingsproject HALT (Het ALTernatief). Jongeren (van 12 tot 18 jaar) die bekenden dat ze vernielingen hadden aangericht, werden doorverwezen naar Bureau Halt. Ze kregen opdracht om de aangerichte schade te herstellen. Of ze moesten een vergelijkbare activiteit verrichten. Bureau Halt beoordeelde de opdracht van de jongeren zelf. Als de opdracht goed was uitgevoerd stuurde Halt een positief bericht naar de politie. De zaak werd vervolgens geseponeerd. In 1981 werd het eerste Halt Bureau in Rotterdam opgericht. Dit voorbeeld werd nagevolgd en het aantal Halt Bureaus in Nederland kende in 1994 zelfs een piek van 65 bureaus. De Halt-afdoening werd in 1995 in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Sinds 2013 is Halt een landelijke organisatie met plaatselijke teams. In 2014 werden ca. 17.000 Halt straffen opgelegd.

Jeugdcriminaliteit kwam in de jaren tachtig volop in de belangstelling van de media en de politiek. De Raad voor de Kinderbescherming startte in 1983 in zes arrondissementen proefprojecten met alternatieve straffen voor minderjarigen. De alternatieve straf werd opgevat als een welkome aanvulling op de vrijheidsstraf en de geldboete. Er waren twee vormen: een aantal uren werken voor een dienstverlenende instelling en verplicht deelnemen aan een leertraject.
Een andere nieuwe methode waren vanaf 1983 de cursussen sociale vaardigheidstraining. Deelname werd verplicht gesteld in het kader van de voorwaardelijke straf en voorwaardelijke seponering van een zaak. Het doel was iets te doen aan het gebrek aan sociale vaardigheden. Het ging om zes tot acht trainingen van een uur per week, meestal individueel. Onderwerpen waren bijvoorbeeld het zoeken naar dagelijkse bezigheden, het omgaan met vrienden, geld verdienen, omgaan met volwassenen of werk zoeken. Vaardigheden die werden geoefend waren onder meer ruzies uitpraten en solliciteren. Als de jongeren de cursus afbrak, volgde alsnog een andere straf.

De term ‘jeugdreclassering’ duikt in 1986 voor het eerst op als in Friesland de Stichting Jeugd en Gezin (een gezinsvoogdijinstelling) die naam geeft aan een vorm van ambulante jeugdhulpverlening voor strafrechtelijk vervolgde minderjarigen van 15 tot 20 jaar. Trefwoorden waren: directe en concrete hulpverlening, samenwerking met politie en justitie, een stok achter de deur. Het voorbeeld kreeg navolging. Het gezamenlijke intakeplatform van de Amsterdamse voogdijinstellingen richtte zich begin jaren negentig speciaal op de groep 15,5-17 jarigen. Er ontstond een ‘Stuurgroep Jeugdreclassering’ waarin voogdijinstellingen samenwerkten met kinderrechters, officieren van justitie, jeugdpolitie, (volwassenen)reclassering en de Raad voor de Kinderbescherming. De contouren van jeugdhulpverlening in een gedwongen kader tekenden zich steeds duidelijker af.

De Commissie Montfrans stelde in 1994 dat jeugdcriminaliteit een intensieve en veelvormige pedagogische aanpak vereist: ‘vroegtijdig, snel en consequent’. In het herziene jeugdstrafrecht (1995) kreeg ‘jeugdreclassering’ voor het eerst een eigen titel. Alternatieve straffen, ook de Halt-afdoening, kregen een wettelijke basis. De jeugdreclassering had een tweeledig doel: de jeugdige delinkwent op weg helpen in de samenleving en tegelijkertijd het voorkomen van recidive. Maar met een wetswijziging was er nog geen functionerend bestel van jeugdreclassering. Visie, beleid en werkwijze werden in de tweede helft van de jaren negentig uitgewerkt. De uitvoering van de jeugdreclassering werd opgedragen aan de Bureaus Jeugdzorg, die steeds meer de plaats gingen innemen van de voogdij instellingen. De Raad voor de Kinderbescherming kreeg de rol van regiehouder op de uitvoering. Met de decentralisatie en de invoering van de Jeugdwet per 1-1-2015 zijn gemeenten verantwoordelijk. De gemeente moet ervoor zorgen dat er jeugdreclasseringscapaciteit aanwezig is. De uitvoering wordt verzorgd door de gecertifieerde instellingen, de voormalige Bureaus jeugdzorg. Hiervoor is een keurmerk opgesteld.

Vanaf 1995 kreeg de professionalisering van de jeugdreclassering een hoge prioriteit. Daarvoor was een uitgewerkte methodiek een vereiste. Medewerkers werden geschoold en getraind. Lous Krechtig schreef in 2001 een methodiek De Harde Kern Aanpak (in 2007 herzien en uitgebreid). In 2004 publiceerde zij ook de Methodiekbeschrijving Integrale Traject Benadering CRIEM (herzien in 2007). CRIEM staat voor Criminaliteit in Relatie tot Integratie van Etnische Minderheden. De CRIEM aanpak in de jeugdreclassering bestond als sinds 2000. Bas Vogelvang schreef het Handboek Methodiek Jeugdreclassering, dat in 2005 werd gepubliceerd. In het Handboek werden twee JR modaliteiten uitgewerkt (de ‘maatregel Hulp en Steun’ en de ‘opdracht tot Toezicht & Begeleiding’). Ook op andere gebieden werden handreikingen en richtlijnen ontwikkeld (schoolverzuim, ouderbegeleiding, jeugdstrafrecht, gedrag beïnvloedende maatregel).

Het aantal opgelegde maatregelen (niet unieke zaken) jeugdreclassering bedroeg van 2010-2012 ruim 16.000 per jaar. In 2013 trad een daling op naar bijna 15.000. In 2014 werden ongeveer 8000 unieke jeugdigen begeleid in het kader van een jeugdreclasseringsmaatregel.

Publicatiedatum: 17-11-2015
Datum laatste wijziging :30-11-2015
Auteur(s): Maarten van der Linde,
Verwante vensters
Extra Het adolescentenstrafrecht
De discussie over leeftijdsgrenzen is altijd al een heikel punt geweest. De bovengrens van 16 jaar in het jeugdstrafrecht werd al in 1905 door de toenmalige minister Cort van der Linden verhoogd naar 18 jaar. Hij stelde dat 16 en 17 jarigen nog volop in ontwikkeling zijn en nog vatbaar zijn voor verandering. En discussie over een apart strafrecht voor personen in de leeftijd van 18 tot 25 jaar is ook niet nieuw en werd o.m. rond 1971 gevoerd door de Commissie Wiarda. De Commissie Anneveldt gaf in 1982 het advies om het jeugdstrafrecht van toepassing te verklaren op 18 tot 24 jarigen.
Uiteindelijk is per 1 april 2014 het adolescentenstrafrecht ingevoerd. Jongeren van 16 of 17 jaar konden sinds 1995 al veroordeeld worden volgens het volwassenenstrafrecht, en dat werd nu nogmaals expliciet vermeld. En voor jongeren van 18 tot 23 jaar kan het jeugdstrafrecht gelden. Het adolescentenstrafrecht is echter geen nieuwe, aparte vorm van strafrecht. Het jeugdstrafrecht en het volwassenenstrafrecht blijven gewoon naast elkaar bestaan. De grens tussen beide wordt wel flexibeler. Om het adolescentenstrafrecht mogelijk te maken, zijn de wetgeving en de uitvoeringspraktijk op een groot aantal punten gewijzigd. Meer dan voorheen moet de ontwikkelingsleeftijd van de jongere worden meegewogen, waarbij in de advisering voor de 18+ jongeren een belangrijke rol voor de volwassenenreclassering is weggelegd; bij de 18- jongeren is dat een taak voor de Raad voor de Kinderbescherming. Met de komst van het adolescentenstrafrecht is het volledige arsenaal aan strafrechtelijke sancties en maatregelen uit het jeugdstrafrecht én uit het volwassenenstrafrecht beschikbaar voor alle adolescenten. Zo zijn meer mogelijkheden om passende sancties en interventies op te leggen, is de gedachte. De werking van het ASR wordt uitvoerig gemonitord. Het is nog te vroeg om te zeggen wat de effecten zijn.
(Met dank aan Corine van Grumbkow)
Verder studeren
Literatuur
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste