1972 Van huurder tot woonconsument
Afscheid van woningbouwverenigingen
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In november 1972 verscheen in Woningraad een geheel nieuw begrip: ‘woonconsumenten’. Het artikel in dit tijdschrift van de Nationale Woningraad (NWR) was geschreven door haar huissociologe, mejuffrouw drs. E. Hedmann. Zij constateerde dat steeds meer woningbouwverenigingen niet over hun ‘leden’ spraken, maar over ‘woonconsumenten’. De naamsverschuiving was volgens Hedmann veelzeggend over de positie van huurders: ‘Van meebepalers van het beleid, dragers van de doelstellingen van “hun” woningcorporatie, zijn zij tot consumenten geworden die in feite buiten de organisatie zijn komen te staan.’ Het artikel van Hedmann verscheen in de jaren zeventig, de jaren van democratisering. De constatering dat de democratie van de woningbouwverenigingen op de tocht stond, was dus bepaald geen gemakkelijke.

Toch was haar bevinding dat leden zich steeds meer als consumenten gingen gedragen niet nieuw. Al sinds de jaren vijftig verschenen in het tijdschrift van de NWR bezorgde geluiden over de opstelling van de verenigingsleden. Zo schreef een corporatiebestuurder uit Den Haag dat leden van ‘mede-eigenaars van een gezamenlijk bezit’ tot ‘slechts huurders van een woning’ waren geworden. ‘Het zou struisvogelpolitiek zijn’, aldus de verontruste auteur, ‘de ogen te sluiten voor het feit dat een sportclub- of muziekvereniging meer aantrekkingskracht heeft dan een woningbouwvereniging.’ Hij noemde drie mogelijke oorzaken: (1) de gestage toename van de welvaart, ook op het gebied van het wonen, zodat de urgentie tot betrokkenheid afnam; (2) de steeds grotere invloed van de overheid, die in veel gevallen de woningen toewees, waardoor het corporatielidmaatschap vaak geen voordeel opleverde en (3) de schaalvergroting en professionalisering bij de woningcorporaties, die de afstand tot de huurder vergrootte.

De worsteling over de positie van de huurders werd duidelijker dan ooit zichtbaar tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-1977). De PvdA stond onder invloed van de jonge democratiseringsbeweging Nieuw Links en was erop gebrand haar idealen in de praktijk te brengen. Tweede Kamerlid Hans van den Doel wilde de ‘democratische vorm’ voor alle corporaties verplicht stellen. Iedere corporatie moest een vereniging zijn, waarvan elke huurder lid kon worden. Van den Doel: ‘Houdt immers ook de stichtingsvorm niet het gevaar in dat hij uitloopt op een onderonsje waarbij de bewoners op geen enkele manier invloed op het beleid kunnen oefenen?’
Staatssecretaris Marcel van Dam worstelde zeer met de materie, omdat hij vond dat zijn partijgenoten voorbijgingen aan de passiviteit die bewoners vaak lieten zien. Het debat in de Kamer besloeg drie dagen. Uiteindelijk kwam Van Dam met een betoverende oplossing. Hij maakte een onderscheid tussen ‘interne democratie’, die van de klassieke woningbouwvereniging met inspraak door leden, en ‘externe democratie’, de steeds vaker voorkomende ontwikkeling waarbij de huurders niet het bestuur benoemden, maar in huurderscommissies hun consumentenbelangen konden behartigen. Van Dam verwachtte veel van de versterking van de ‘externe democratie’ en verankerde de rechten van huurders om via commissies inspraak te hebben in de besluiten van het bestuur.

In feite is de lijn Van Dam sindsdien regel gebleven. In hetzelfde jaar dat Hedmann haar beschouwing schreef, organiseerden huurders zich voor het eerst op landelijk niveau. De politiek nam afscheid van het idee van woningbouwverenigingen met leden en kwam op voor de belangen van ‘woonconsumenten’. De corporaties namen langzaam maar zeker afscheid van de verenigingsvorm – een proces dat na de verzelfstandiging in 1995 in een stroomversnelling kwam – en gingen hun huurders consequent als klanten aanduiden.
Ook bij de meest recente Woningwet is deze lijn zichtbaar. Huurdersorganisaties krijgen een stevigere positie in de wet. Ze mogen meespreken met gemeenten en corporaties over de lokale ‘prestatieafspraken’. Zij hebben instemming bij fusies en kunnen een huurdersraadpleging houden. Al deze maatregelen gaan wel uit van inspraak van de huurder via een aparte organisatie. Met de huurder die via een ledenraad inspraak heeft en echt mee kan beslissen, wordt nauwelijks rekening gehouden. Zo bepaalt de Woningwet dat met het oog op hun onafhankelijkheid de commissarissen niet meer benoemd mogen worden door ledenraden. Deze maatregel zou wel eens het definitieve einde kunnen betekenen van het inmiddels al schaarse verschijnsel woningbouwvereniging. Van een corporatie waarin mensen samen beslissen om op een adequate manier vorm te geven aan hun belangen, is strikt genomen geen sprake meer.

Publicatiedatum: 12-08-2015
Datum laatste wijziging :02-09-2016
Auteur(s): Wouter Beekers,
Verwante vensters
Extra Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting
Al werd de ontwikkeling van verenigingsleden naar ‘woonconsumenten’ geaccepteerd, steeds is er wel gezocht naar nieuwe manieren om bewoners actief te betrekken bij sociale woningbouw. In dat kader ontstond in 1982 de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV). Zij werd in het leven geroepen door Marcel van Dam, toentertijd minister van Volkshuisvesting, en zijn partijgenoot Siepie Langedijk, staatssecretaris ‘democratisering van het woningbeheer’. De SEV kreeg tot taak door experimenten vernieuwingen te stimuleren onder andere op het gebied van de vergroting van de betrokkenheid van bewoners. Zo voerde zij experimenten uit rondom wooncoöperaties en samenwerking tussen corporaties en bewoners in het beheer en kopen van huizen (Maatschappelijk Gebonden Eigendom) en de buurtbudgetten (Verenigingen van Wijkeigenaren). In 2012 is de SEV, samen met het NIROV (Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting), KEI (centrum voor stedelijke vernieuwing) en NICIS (Netherlands Institute for City Innovation Studies), opgegaan in de nieuwe fusieorganisatie Platform31.
Verder studeren
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste