1997 Stedelijke vernieuwing
Herstructurering van naoorlogse wijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In de jaren tachtig kondigden zich in middelgrote steden de eerste leefbaarheidsproblemen aan in de wijken waar na de Tweede Wereldoorlog de wederopbouwflats in groten getale waren verrezen. In 1985 organiseerden de Delftse hoogleraren Hugo Priemus en Niels Luning Prak er het eerste grote congres over: Postwar public housing in trouble. Maar het signaal werd niet direct opgepikt. Het ministerie van Volkshuisvesting had de handen vol aan de stadsvernieuwing van oude vooroorlogse wijken, waar miljarden in gepompt werden. Ook in 1992, in de BELSTATO-nota (BEleid voor STAdsvernieuwing in de TOekomst), zag staatssecretaris Heerma in deze wijken geen structureel probleem opdoemen. In 2005, zo voorspelde hij, zal de stadsvernieuwingstrein tot stilstand komen. Dan is de klus geklaard en zullen er verder geen (financiële) inspanningen van rijkswege nodig zijn.

Die optimistische voorstelling had ook een tactische reden. Heerma was politiek druk doende met de verzelfstandiging van de woningcorporaties. Hij wilde dat proces niet belasten met de vaststelling dat er door de corporaties voor een nieuwe stadsvernieuwingsoperatie diep in de buidel getast moest worden. Politiek kwam het beter uit te doen alsof de neus bloedde. Maar heel lang was die houding niet vol te houden. Vooral in grote steden als Rotterdam, Amsterdam en Den Haag werden de problemen steeds manifester. In de naoorlogse uitbreidingswijken stapelden de naargeestigheden zich op: werkloosheid, schooluitval, armoede, verloedering, criminaliteit en drugshandel. Het was ook in deze gebieden dat spanningen tussen ‘oude’ autochtone en ‘nieuwe’ allochtone bewoners steeds tastbaarder werden.

Uiteindelijk gaan ook in politiek Den Haag alarmbellen rinkelen als Hans Janmaat in 1994 bij de Tweede Kamerverkiezingen vooral door kiezers in deze naoorlogse wijken erin slaagt drie zetels voor de Centrumdemocraten in de wacht te slepen. Dat was (toen) een enorme schok. Gemeenten, adviesorganen, speciale commissies en politieke partijen riepen om het hardst dat er wat moest gebeuren, anders zouden deze wijken ten prooi vallen aan gettovorming, criminaliteit en verloedering. Die druk is voor het eerste paarse kabinet, dat in 1994 aantreedt, reden om het Grotestedenbeleid (GSB) op te starten – een breed sociaaleconomisch programma om de grote steden erbovenop te helpen.

Als de verzelfstandiging van de woningcorporaties in 1995 een feit is, gaat ook het ministerie van Volkshuisvesting aan het probleem trekken. In 1997 komt staatssecretaris Tommel met de Nota Stedelijke Vernieuwing, waarin het begrip ‘preventieve herstructurering’ wordt geïntroduceerd. Het gaat niet alleen om de fysieke kwaliteit van de naoorlogse woningen (die was in veel gevallen zo slecht nog niet), maar vooral om de woonkwaliteit van de wijken. De woningvoorraad moet zo worden aangepast dat daardoor sociale en economische problemen worden teruggedrongen. Er is, met andere woorden, voor de naoorlogse wijken niet zozeer een fysieke beheeropgave, maar een integrale vernieuwingsopdracht. Het fysieke stedelijke vernieuwingsbeleid moet daarom samen opgaan met het meer sociaaleconomische Grotestedenbeleid.

In het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) worden alle rijkssubsidieregelingen voor wonen, ruimte, groen en de fysieke stadseconomie gebundeld. Tussen 2000 en 2009 gaat hier ruim 3 miljard euro in om. Vanaf 2000 begint de nieuwe stadsvernieuwingstrein op stoom te raken en komt er een ingrijpende herstructurering van de naoorlogse wijken op gang, waarin vooral woningcorporaties vele honderden miljoenen investeren. Nogal wat grootschalige naoorlogse galerijflats gaan tegen de vlakte om plaats te maken voor chiquere nieuwbouw met koopwoningen. Dat was nodig, niet alleen om de eenzijdigheid van de woningvoorraad te doorbreken, maar ook omdat corporaties daarmee kapitaal konden ophalen om de herstructurering te financieren. In tegenstelling tot de vorige stadsvernieuwingsoperatie was de feitelijke bijdrage van het Rijk aan sloop en nieuwbouw relatief gering. Precies om die reden trad er een stagnatie op in de stedelijke vernieuwing toen in 2008 de economische crisis uitbrak en de verkoop van woningen nagenoeg stil kwam te liggen.

De financieel-economische crisis temperde ook de voortvarendheid waarmee de Vogelaar-aanpak in 2007/2008 van start was gegaan. Minister Ella Vogelaar wilde een versnelling aanbrengen in veertig wijken door een integraal vernieuwingsprogramma gericht op de sociale stijging van bewoners. Het was groots en meeslepend aangekondigd, het zou tien jaar (tot 2017) duren, maar het eerste daaropvolgende kabinet deelde dit (PvdA-)enthousiasme niet. Integendeel. Het kabinet-Rutte schafte in 2010 het ministerie van wonen/volkshuisvesting af, stopte de veertig actieplannen van de Vogelaar-wijken in een bureaula van het ministerie van Binnenlandse Zaken en begon zich terug te trekken als aanjager van stedelijke vernieuwing. Marktpartijen, gemeenten en woningcorporaties moesten hier verder het werk gaan doen.

Er kwam ook steeds meer kritiek op de grandeur-avonturen van een paar woningcorporatie die megalomane opvattingen hadden ontwikkeld over de revitalisering van stedelijke gebieden. Niemand sprak na 2010 nog over wat corporaties tot stand hadden gebracht. Sterker, het ISV werd afgeschaft, het investeringsvermogen van corporaties werd vanaf 2014 ingeperkt door de verhuurdersheffing, waardoor het Rijk jaarlijks ruim 1,5 miljard euro aan de sector onttrekt. Het gevolg is dat corporaties hun verplichtingen uit de Vogelaar-afspraken steeds moeilijker konden nakomen. Ten slotte verbood de gewijzigde Woningwet in 2015 corporaties zich met andere zaken bezig te houden dan met het stapelen van stenen, het verkopen van woningen, het onderhouden van hun woningvoorraad en zorgen voor de directe leefomgeving. Terug naar de kerntaken – heette dat in Den Haag.

Nog steeds investeren corporaties in de herstructurering van de naoorlogse woonwijken, maar de ambities zijn beduidend teruggeschroefd en het tempo is fors omlaaggegaan. Tien jaar later dan Heerma aankondigde is de rijksbemoeienis met stadsvernieuwing inderdaad tot een einde gekomen. Vreemd dat maar zo weinig mensen de vraag stellen waarom de alom geuite vrees voor gettovorming uit het midden van de jaren negentig niet bewaarheid is geworden.

Publicatiedatum: 03-03-2016
Datum laatste wijziging :24-11-2016
Auteur(s): Jos van der Lans,
met dank aan Gerard Anderiesen.
Verwante vensters
Verwante huisvesters
Extra Hoeveel wijken?
Steun uit Den Haag om een wijk op te knappen is natuurlijk altijd welkom. Maar welke wijken komen daarvoor in aanmerking en welke niet? Sinds het verschijnen van de Nota Stedelijke Vernieuwing is daarover voortdurend gesteggeld. Staatssecretaris Remkes (1998-2002) identificeert begin 2000 maar liefst 643 wijken, minister Kamp (2002-2003) brengt dat in het volgende kabinet terug tot 56, minister Winsemius (2006-2007) verhoogt het weer tot 140, waarna minister Vogelaar (2007-2008, Wonen, wijken en integratie) uiteindelijk in 2007 na wat geschuif met postcodes en wijkgrenzen tot 40 wijken komt. Veel bewoners in deze wijken waren niet blij met dit stigmatiserende ‘achterstandsetiket’, reden waarom de minister dan ook voortdurend sprak over ‘krachtwijken’ of zelfs ‘prachtwijken’.

Verder studeren
Literatuur
Links
Bewegende beelden

YouTube, 11 april 2010 | Het ontstaan, verval en de wederopstanding van Schalkwijk, complex C240, Haarlem. Een vroeg staaltje van succesvolle stedelijke vernieuwing.

YouTube, 8 juni 2010 | Hoe pakt de gemeente Haarlem de stedelijke vernieuwing aan. In dit filmpje een aantal Haarlemse wijken in verschillende stadia van ontwikkeling: Delftwijk, Schalkwijk en de Zomerzone.

YouTube, 15 maart 2010 | Wimby Hoogvliet. Welcome into My Backyard. Begeleidingsproject van de herstructurering van Hoogvliet, Rotterdam.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste