1915 Ontstaan gemeentelijke woningbedrijven
’Wie bouwt? Wibaut!’
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Op 18 juli 1931 trekt een defilé van zo’n 10.000 Amsterdammers langs het stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal. Zij komen zwaaiend afscheid nemen van socialist Floor Wibaut (1859-1936), die stopt als wethouder. Hij dankt zijn populariteit voornamelijk aan zijn initiatieven op het terrein van de volkshuisvesting. De SDAP-verkiezingsleus in 1918 voor de gemeenteraad was niet voor niks: ‘Wie bouwt? Wibaut!’

In 1914 is Wibaut de eerste SDAP-wethouder van Amsterdam. Hij vindt dat de gemeente verantwoordelijk is voor de huisvesting van arbeiders. Hun levensomstandigheden in volgepakte krottenwijken zijn dramatisch. Het werk van de kersverse woningbouwverenigingen heeft niet genoeg massa om echt het verschil te maken. Als SDAP-gemeenteraadslid lanceerde Wibaut al in 1911 een 2.000-woningenplan, dat destijds geen raadsmeerderheid vond.
Als wethouder stroopt Wibaut zijn mouwen op. Hij richt de Gemeentelijke Woningdienst op in 1915, met als voortvarende directeur Arie Keppler (1876-1941), zijn zwager. De Dienst bouwt in de eerste jaren vooral in Amsterdam-Noord grote aantallen woningen op goedkope grond.

Niet alleen in Amsterdam waait kort na de Eerste Wereldoorlog een socialistische wind. Ook in steden als Groningen, Rotterdam, Haarlem, Utrecht, Hilversum en Den Haag gaat de gemeente woningwetwoningen bouwen – vaak pas na heftige debatten in de gemeenteraad. Van de 25.000 woningen die in 1920 in Nederland zijn gebouwd, waren er ruim 13.000 van corporaties en zo’n 8.000 van gemeenten. Nogal eens zijn het SDAP-wethouders die hier het voortouw in nemen; reden waarom wel van het ‘wethouderssocialisme’ gesproken wordt.

Over die rol van gemeenten zijn de meningen overigens verdeeld in de beginjaren van de Woningwet (1901). Vooral confessionelen zijn wars van overheidsinvloed. Zij menen dat de Woningwet vooral bedoeld is voor particuliere verenigingen, die vooral ook woningen moeten bouwen met marktconforme huren, om commerciële ontwikkelaars niet oneigenlijk te beconcurreren. Voor sociaaldemocraten – sterk in opmars in die tijd – is dat te weinig. Zij vinden dat daar waar het ‘particulier initiatief’ in gebreke blijft om de woonomstandigheden van arbeiders te verbeteren, gemeenten zelf woningwetwoningen moeten kunnen bouwen.

De gemeentelijke woningdiensten zijn voor het overgrote deel van de twintigste eeuw met afstand de belangrijkste gemeentelijke afdelingen. Wethouder volkshuisvesting is een gewilde portefeuille. Met hun bedrijven kunnen gemeenten in perioden dat de markt het laat afweten de productie van sociale huurwoningen toch overeind houden.
In de loop van de jaren twintig bouwt de regering de steunmaatregelen voor woningwetbouw in hoog tempo af en krijgt de particuliere bouw weer de wind in de zeilen. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de bouwcijfers van 1939: van de 37.000 nieuwe woningen in dat jaar zijn er nog maar 2.000 door corporaties en 1.000 door gemeentelijke woningbedrijven gebouwd. Die verhouding verandert pas weer na de Tweede Wereldoorlog tijdens de wederopbouw.

Vanaf de jaren zeventig doen de corporaties vooral de klassieke massale gezinsbouw en de gemeentelijke woningbedrijven steeds meer onderhoud en renovatie en bijzondere bouw. Want mensen met niet-standaard woonwensen kloppen als eerste bij gemeenten aan. Dus woningbedrijven krijgen als vanzelf een rol in die nieuwe ontwikkelingen: woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens, inspraak in de stadsvernieuwing, opkopen van kraakpanden, nieuwe beheersvormen.

Midden jaren tachtig raakt de rol van gemeentelijke woningbedrijven langzaam uitgespeeld. Zo’n driehonderd gemeentelijke woningbedrijven met een kleine 400.000 woningen moeten los komen van de lokale overheid. Privatisering: daar wordt veel heil van verwacht in de no-nonsense kabinetten-Lubbers. In 1989 legt staatssecretaris Enneüs Heerma (1944-1999) met zijn nota Volkshuisvesting in de jaren negentig de grondslag voor de verzelfstandiging van de woningcorporaties. In die nieuwe visie is geen plaats meer voor gemeentelijke woningbedrijven. Per 1 januari 1997 gaan verreweg de meeste woningbedrijven verder als zelfstandige ‘toegelaten instelling’ of hun woningbezit gaat over naar andere corporaties.

De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat gemeenten met het prijsgeven van hun eigen woningbedrijven ook een instrument kwijt zijn in hun woningmarktbeleid. In de jaren tien van de eenentwintigste eeuw is bijvoorbeeld de betaalbaarheid van woningen een steeds groter probleem, terwijl de huren door overheidsbeleid steeds verder stijgen. In Amsterdam gaan (linkse) stemmen op om als gemeente zelf weer een woningbedrijf op te richten om betaalbare woningen te bouwen. Ook in Assen klinken deze geluiden als mogelijkheid om de door de gemeente aangekochte bouwgrond niet ongebruikt te laten. Maar verder dan losse opmerkingen is het (nog?) niet gekomen.

Publicatiedatum: 13-01-2015
Datum laatste wijziging :02-09-2016
Auteur(s): Jos van der Lans,
met dank aan Margriet Pflug
Verwante vensters
Verwante huisvesters
Extra De erfenis
Wat is er met de gemeentelijke woningbedrijven gebeurd? Ze zijn gewone corporaties geworden. Vaak heel grote. Het Gemeentelijk Woningbedrijf Amsterdam – waar Wibaut de aanzet voor gaf – evolueerde na verschillende fusies tot Ymere, met 80.000 woningen een van de grootste corporaties van het land. Stichting Woningbedrijf Rotterdam ontpopte zich tot Woonstad Rotterdam, met zo’n 50.000 woningen. Het bestand van Stichting Woningbedrijf Utrecht vinden we terug bij Mitros, met in totaal 30.000 woningen.
Verder studeren
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Bewegende beelden



Beeldreportage van de SDAP

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste