1911 Andrew de Graaf
Tegen witte slavernij
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Andrew de Graaf (1867-1945) was tientallen jaren het gezicht van het protestants-christelijke sociale werk, maar ook een onvermoeibaar strijder tegen misstanden in de prostitutie. Hij werd internationaal bekend door zijn acties - tot in de Volkenbond toe - tegen de handel in vrouwen en kinderen. Deze handel noemde hij 'de witte slavernij’.
Sinds de Franse tijd (1810-1814) was betaalde seks gereglementeerd in de vorm van verplichte periodieke medische controles van prostituees. Prostitutie als zodanig werd niet als probleem gezien en zelfs toegestaan omwille van de gezondheid van de ongehuwde jonge man. Dit paste bij de heersende visie op prostitutie als een ‘noodzakelijk kwaad’.

De toenemende uitbuiting en handel in vrouwen vormden een keerpunt. Grote panden werden uitgebaat als bordeel, met kamertjes waar vrouwen onder zware druk en in erbarmelijke omstandigheden hun werk moesten doen. Zoals vaker in de geschiedenis ontstond ook hier een tegenbeweging. Andrew de Graaf trad omstreeks 1900 in het voetspoor van de Gelderse predikant Ottho Heldring die al in 1847 in actie was gekomen tegen ronselpraktijken voor de prostitutie. Hij stichtte de eerste instelling voor vrouwenopvang: Asyl Steenbeek in Zetten. De Amsterdamse predikant Hendrik Pierson volgde Heldring in 1877 op als directeur van Steenbeek en zette de strijd voort. Beiden werden geïnspireerd door de opwekkingsbeweging van het Réveil die de nadruk legde op gevoel en praktisch handelen. Met hun visie dat deze vrouwen weliswaar ‘gevallen’, maar zeker niet reddeloos verloren waren, gingen zij in tegen heersende opvattingen zoals ‘Eens een hoer, altijd een hoer’. Pierson werd aangestoken door de indrukwekkende Britse christen-feministe Josephine Butler die al sinds 1869 de strijd aanbond tegen de dubbele moraal: de prostituees streng gecontroleerd, de hoerenloper totaal niet.

Andrew de Graaf nam het vaandel over van Heldring, Pierson en Butler. Zijn moeder was de oudste zus van Hendrik Pierson, maar ook van de spraakmakende hoogleraar Allard Pierson en de econoom Nicolaas Pierson die als minister-president rond 1900 de eerste sociale wetten door de Tweede Kamer loodste. Door zijn grote familienetwerk kende Andrew vele personen uit de invloedrijke elite. De sfeer van het Réveil kreeg hij met de paplepel ingegoten en hij vertaalde deze voor de twintigste eeuw. Hij behoorde als rechtenstudent tot de jonge opstandige generatie en bewonderde de dichters en schrijvers die bekend werden als de Tachtigers. Hij behoorde ook tot de kring van oprichters van het studentenblad Propria Cures.

De Graaf was onder andere voorzitter van de Nederlandse Vereeniging tegen de Prostitutie, en ook van het Nationaal Comité tot Bestrijding van Handel in Vrouwen en Kinderen. Beide verenigingen waren in zijn tijd nog echte mannenbolwerken en bestuursfuncties bleven voor vrouwen gesloten. Door zijn goede komaf, flair en vele relaties had De Graaf grote invloed op de politiek. Hij sprak zelfs de Volkenbond toe over mensenhandel en vrouwenmisbruik.

Net als Heldring, Pierson en Butler zag hij prostituees niet als misdadigers, maar als gevallen vrouwen. Vanuit dit standpunt probeerde hij het uitbaten van bordelen aan banden te leggen. Ook meende De Graaf dat de vrouwen in kwestie via het geloof weer op het rechte pad konden komen. Door zich over te geven aan God kon een prostituee haar verleden ongedaan maken en een fatsoenlijk leven opbouwen. De Graaf wilde de vrouwen niet straffen, maar hen weer een plek in de maatschappij geven.

Andrew de Graaf had altijd al een andere kijk dan de publieke opinie op het prostitutiebeleid. Zijn mening was abolitionistisch (voor afschaffing van de slavernij). Hij erkende dat prostitutie onuitroeibaar was, maar wilde een einde aan de betrokkenheid van de overheid, een bordeelverbod en een verbod op vrouwenhandel. In 1911 was het zover. Een landelijk bordeelverbod werd ingesteld. Een wetswijziging die pas in 2000 weer zou worden teruggedraaid.

In de eenentwintigste eeuw ligt het prostitutiebeleid nog steeds heel gevoelig. Werkplekken van prostituees werden in verschillende steden opgedoekt in de hoop dubieuze praktijken uit te bannen. Met strenge controles probeert de overheid de mensenhandel die ook in Nederland plaatsvindt te stoppen.

Publicatiedatum: 18-08-2014
Datum laatste wijziging :11-12-2015
Auteur(s): Karin Wissenburg,
Verwante vensters
Extra Mr A. de Graaf Stichting
De Mr A. de Graaf Stichting begon in 1960 als een opvang voor vrouwen die uit de prostitutie wilden en ontwikkelde zich in de jaren negentig tot een toonaangevend expertisecentrum voor prostitutievraagstukken. De stichting deed onderzoek, gaf adviezen en voorlichting (ook aan het ministerie van Justitie) en onderhield contacten met mensen over de hele wereld die direct of indirect iets met prostitutie te maken hadden.
Sinds de jaren zeventig was de stichting van mening dat erkenning van prostitutie als arbeid en het uit de criminele sfeer halen van de seksindustrie bij uitstek de instrumenten zijn om de rechten van prostituees te waarborgen. Dwang, uitbuiting en geweld zijn alleen effectief te bestrijden wanneer de sekswerkers een sterke positie hebben, zowel op de werkplek als in de maatschappij. Als voorstander van de legalisering bond de stichting de strijd aan met personen die minderjarigen, illegalen of slachtoffers van mensenhandel in de prostitutie te werk stelden.
De Mr A. de Graaf Stichting beëindigde per 1 januari 2005 de werkzaamheden als gevolg van het intrekken van de overheidssubsidie door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Verder studeren
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste