1988 De wetenschap schiet te hulp
Geweld tegen vrouwen onderzocht
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De wetenschap is zelden koploper. Meestal holt ze achter maatschappelijke veranderingen aan. Zo ook bij geweld tegen vrouwen en de opvang van vrouwen. Die wetenschap zou geen hoge vlucht hebben genomen zonder de vrouwenbeweging. Op de golf van sociale protestbewegingen eind jaren zestig van de vorige eeuw (anti-Vietnamoorlog, studentenbeweging) kwamen steeds meer vrouwen in verzet tegen inperkende traditionele patronen. Al gauw bleek dat wereldwijd dwang en geweld als een rode draad door de levens van veel vrouwen liep. Susan Brownmillers boek uit 1975 over de schaal waarop verkrachting tijdens oorlogen voorkomt, maar ook daarbuiten, was een eye-opener. Het probleem lag op tafel en kreeg voor het eerst systematisch aandacht. Steeds meer kwam het thema geweld onder de aandacht van de wetenschap.

In Nederland was de Kijkduin-conferentie (1982) een belangrijke motor voor later onderzoek. Onder staatssecretaris Hedy d’Ancona werd voor het eerst het thema geweld tegen vrouwen besproken als problematiek waar de overheid beleidsverantwoordelijkheid voor moest nemen. Nadrukkelijk werd een beroep gedaan op bijdragen van wetenschappers. De ‘witte plekken’ in de wetenschappelijke kennis werden benoemd. Op basis van de verhalen van slachtoffers en het (beperkt) beschikbare kwalitatief onderzoek (onder kleine groepen slachtoffers) werd duidelijk dat aard en gevolgen van mishandeling en seksueel geweld, ook en juist binnen het gezin, zeer ernstig waren. Tegelijkertijd maakte de groeiende hulpvraag (bij opvanghuizen, hulptelefoons, slachtoffergroepen) duidelijk dat de schaal waarop huiselijk geweld voorkwam waarschijnlijk heel groot was. Maar niemand wist hoe groot. Uit Leids onderzoek uit 1983 bleek dat angst voor seksueel geweld bepaald geen uitzondering was.

Zowel de Blijf van m’n Lijf-groepen als de in 1982 gestarte Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling (De straf op zwijgen is levenslang, 1983) pleitten begin jaren tachtig actief voor meer onderzoek, ook om de noodzaak van opvang en hulpverlening stevig wetenschappelijk te kunnen onderbouwen. Met vasthoudendheid werd de verantwoordelijke ministeries gevraagd om daarvoor geld beschikbaar te stellen. En met succes. In 1988 en 1989 verschenen de resultaten van twee landelijke onderzoeken naar respectievelijk omvang, aard, achtergronden en gevolgen van seksueel misbruik van meisjes en van mishandeling van vrouwen. In de media overheerste ongeloof en hoon over de resultaten. Onder hulpverleners weerklonk vooral herkenning en waardering.

In de tweede helft van de jaren tachtig werd wetenschappelijk onderzoek op het terrein van geweld en vrouwenhulpverlening mondjesmaat gedaan, en vooral door feministische wetenschappers werkzaam bij vrouwen- en genderstudies. Langzaam verschenen echter proefschriften, en enkelen (o.a. de genoemde landelijke onderzoeken) kregen wetenschappelijke lof waardoor geweld tegen vrouwen en meisjes een respectabel thema werd in de wetenschap. Dit leidde tot een lectoraat Huiselijk geweld aan de Avans Hogeschool (2007-heden) en tot een leerstoel Gender gerelateerd geweld aan de Universiteit Tilburg (2008-2012). Aan de Radboud Universiteit in Nijmegen is sinds 2007 een leerstoel Maatschappelijke opvang gevestigd met de vrouwenopvang als belangrijk aandachtsgebied. De tijdelijkheid van de meeste leerstoelen onderstreept echter dat ongeacht de kwaliteit van het geleverde werk het thema in de marge van de wetenschap verkeert. De trend die tot op heden doorzet is dat beleidsonderzoek en vooral toegepast onderzoek (wat werkt?) voorop staat. De meeste gevestigde beleidonderszoeksinstellingen en dus niet alleen universiteiten bieden expertise op dit terrein aan.

Onderzoek op het gebied van geweld tegen vrouwen, vrouwenopvang en hulpverlening is niet meer weg te denken. Politie, maar ook hulpverlenende instellingen gaan beter registreren, juist ook om gedegen toetsing van resultaten en processen door onderzoek mogelijk te maken. Binnen het academische bedrijf (universiteiten) is het thema in Nederland echter nog niet stevig verankerd. Maatschappelijk heeft onderzoek op dit gebied heel veel vruchten afgeworpen. Zo werd eind jaren negentig door het Internationale Strafhof erkend dat verkrachting in oorlogssituaties een misdrijf tegen de menselijkheid is. Brownmiller was met haar boek uit 1975 haar tijd ver vooruit.

Publicatiedatum: 03-09-2014
Datum laatste wijziging :11-12-2015
Auteur(s): Renée Römkens,
Verwante vensters
Verder studeren
Literatuur
  • Susan Brownmiller (1975), Against Our Will: Men, Women, and Rape. New York: Simon and Schuster.
  • Bernadine Ensink, Francine Albach (1983), Angst voor sexueel geweld: van overdreven angst naar gerechtvaardigde woede. Universiteit Leiden.
  • Nel Draijer, (1988), Een lege plek in mijn geheugen: Seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken.
  • Renée Römkens (1989), Onder ons gezegd en gezwegen. Geweld tegen vrouwen in heteroseksuele relaties. Den Haag: Ministerie van VWS.
  • PDF document Sietske Dijkstra, Nicole van Dartel, Wil Verhoeven en Ton Veldkamp (2010), Verborgen schatten. Wat goede professionals doen en clienten ervaren bij de aanpak van geweld. Breda: Avans Hogeschool Sociale Studies.
  • Externe link Janneke van Mens-Verhulst, Berteke Waaldijk (red.) (2008), Vrouwenhulpverlening 1975-2000: beweging in en rond de gezondheidszorg. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste