1900 De Amsterdamse slagcirculaire
Het ontslag van gymnastiekleraar
W. A. Tissot van Patot
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De gemeenteraad van Amsterdam is op vrijdagavond van 11 december 1900 een goed uurtje op streek als de wethouder onderwijs, de heer Van Hall, het woord krijgt. Op de agenda staat een in zijn ogen ‘zeer ernstige en droeve zaak’: het ontslag van W. A. Tissot van Patot als gymnastiekonderwijzer. De kwestie heeft in de weken voorafgaand aan de raadsvergadering de gemoederen in onderwijskringen danig verhit. Niet alleen in Amsterdam, maar overal in het land.

In april van het jaar had het college van B&W een circulaire gestuurd aan alle hoofden van scholen van het openbaar onderwijs, waarin het stadsbestuur erop wijst dat er voor scholen in Nederland al sinds 1820 een verbod op slaan geldt en dat er bij het gemeentebestuur aanhoudende klachten binnenkomen over onderwijzers, onderwijzeressen en zelfs hoofden van scholen die zich niets van het verbod aantrekken en er regelmatig stevig op los slaan. De circulaire vraagt de schoolhoofden erop toe te zien dat dat niet meer gebeurt. Toekomstige overtredingen zullen, zo meldt B&W, niet zonder gevolgen blijven.

Behalve een storm van kritiek uit onderwijzersland brengt de circulaire weinig teweeg. De klachten van ouders blijven aanhouden. Daarom besluit het Amsterdamse college in november een tweede circulaire de deur te doen uitgaan, waarin B&W meldt bij nieuwe klachten ‘niet te aarzelen om overtreders voor ontslag voor te dragen’. ‘Twee dagen later’, zo vertelt wethouder Van Hall op 11 december aan de gemeenteraad, ‘diende de onderwijzer, wiens ontslag thans wordt voorgesteld, een jongen stokslagen toe, waarvan de striemen en blauwe plekken zichtbaar waren. Dat slaan gebeurde niet in een onbewaakt oogenblik, want dan zou 't bij één slag zijn gebleven, doch er zijn er meerdere toegediend. B&W vonden de zaak pijnlijk en bedroevend en zij hebben den bedoelden onderwijzer willen redden en hem trachten te bewegen eervol ontslag aan te vragen. Dan zou hij met een blanco register vertrekkende, wellicht een plaats hebben kunnen krijgen bij het bijzonder onderwijs.’(Het nieuws van den dag, 17 december 1900)

De verslaggever van Het nieuws van den dag, die deze woorden heeft opgetekend, noteert fijntjes dat deze laatste uitspraak tot een lachsalvo in de gemeenteraad leidt. Een slaande onderwijzer kan klaarblijkelijk altijd bij het bijzondere onderwijs terecht, waar kennelijk andere normen gelden. Na een stevige discussie begrijpen de meeste gemeenteraadsleden dat het gemeentebestuur consequent moet zijn, maatregelen zijn onafwendbaar. Maar om de onderwijzer, waar nooit eerder klachten over zijn ontvangen, nu werkeloos te maken gaat de raadsleden te ver. Uiteindelijk besluit de raad om Tissot van Patot, die als vakonderwijzer aan twee scholen verbonden is, op een school te ontslaan, maar aan de andere gewoon aan het werk te houden. Een halfslachtig besluit dat veel onbegrip wekt. Niet geschikt voor de ene school, maar wel voor de andere, leg dat maar eens uit.

Maar met dit besluit van de gemeenteraad was de kwestie niet uit de lucht. Integendeel, de gemoederen raaken er eerder nog ernstiger door verhit. Veel onderwijzers vreesden voor hun baan. De Bond van Nederlandsche Onderwijzers organiseerde debatten waar onderwijzers en pedagogen hun licht over de kwestie konden laten schijnen. Een van hen was dr J. H. Gunning, later in de eeuw als hoogleraar één van de pioniers van de academische pedagogiek, maar in 1900 nog privaatdocent in de paedagogiek aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Gunning had, zo meende hij zelf, een genuanceerde mening. Straffen kon alleen om morele redenen, en niet om bijvoorbeeld de leerstof er in te krijgen. Maar om het recht van slaan te verbieden, dat vond hij onzin. En de alternatieven ‘stilzitten en nablijven’ noemde hij ‘opvoedkundige monstruositeiten’. Beter vond hij de praktijk in Hamburg, waar de onderwijzer een stok kon halen bij het hoofd der school ‘om den jongens een tuchtiging toe te dienen'.

De voorstanders van het slaanverbod kregen in deze drukbezochte bijeenkomsten doorgaans geen poot aan de grond. Ze kregen als eersten het woord, waarna de tegenstanders korte metten met hen konden maken. Zo mocht meester De Vries, schoolhoofd te Enschede, pleiten voor andere strafmaatregelen, die het vertrouwen van kinderen niet schaden, want ‘voelt een kind, dat er alleen gestraft wordt ter voorkoming van verder kwaad, dan zal het kind de straf gaan begrijpen en haar weten te waardeeren. Is het kind zoo ver, dan is het gered, want dan vat de meening post, dat de straf in 't voordeel van het kind wordt gegeven.’(Nieuwsblad van Friesland, 17 juli 1901)

Veel indruk maakte deze argumentatie echter niet. Op voorstel van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers werd in verschillende plaatsen aan het einde van de bijeenkomsten een motie aangenomen, waarin de aanwezigen als oordeel uitspraken: ‘dat op paedagogische gronden het toepassen van lichamelijke straffen als opvoedingsmiddel in sommige gevallen noodzakelijk is; dat in een aantal gevallen die toepassing ook waar zij niet beslist noodzakelijk kan genoemd worden, verschoonbaar is te achten; dat dus op grond hiervan een absoluut verbod van het toedienen van lichamelijke straffen verkeerd is te noemen; dat dusdanig verbod bovendien den invloed van den onderwijzer op den leerling doet verminderen; en dat het mitsdien tegen het belang van de opvoeding en het onderwijs is, zulke verbodsbepalingen in een verordening neer te leggen.’ De krantenberichten waarin verslag wordt gedaan van deze bijeenkomsten sluiten steevast af met vaststellingen als: ‘Deze motie werd aangenomen met algemene stemmen op drie na.’ (Middelburgsche courant, 26 januari 1901)

De kwestie zegt veel over hoe er rondom 1900 gedacht werd over opvoeden, gezag, straffen en geweld. Het zijn thema’s die de hele twintigste eeuw op de agenda blijven staan. De pedagogische tik (waar alle kindermishandeling mee begint) bleef de vermoederen heftig vehitten. Pas in 2007, een kwart eeuw nadat bijvoorbeeld de Scandinavische landen daartoe hadden besloten, zou er in Nederland een wettelijk verbod komen op het slaan van ouders.

Publicatiedatum: 07-03-2016
Datum laatste wijziging :07-03-2016
Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Nelleke Bakker, Jan Noordman en Marjoke Rietveld-van Wingerden (2010), Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee en praktijk: 1500 – 2000. Assen: Van Gorcum. Zie deel IV: 'Onderwijs'.
  • Externe link Onbekend (), Straffen - met de plak en de roe Website: Onderwijsgeschiedenis - van griffel tot iPad. de geschiedenis behandeld van het lager onderwijs.
  • Externe link L. Vogelaar (2011), 'Schooltucht met roede, tak en zweep'  , Reformatorisch Dagblad, 15 maart. Overzicht van straffen op school, naar aanleiding van tentoonstelling in het Onderwijsmuseum in 2011.
Literatuur
  • Herman Baartman (1993), Opvoeden met alle geweld. Hardnekkige gewoontes en hardhandige opvoeders. Utrecht:SWP.
  • PDF document Kees van Overveld (2015), 1936 versus 2015 - straffen in de klas in: JSW, 4 december.
Aanvullend materiaal
  • PDF document Frances Graafland (), Voor de vorming van het hart en de ontwikkeling van het verstand.   Straffen en belonen in het onderwijs van 1801- 1850: Wetgeving versus Praktijk. Scriptie Erasmusuniversiteit.
  • PDF document Inspecteur onderwijs te Hengelo (1939), Het tuchtvraagstuk  In het jaarverslag van het ministerie van OCW uit 1939 vergoelijkt de onderwijsinspecteur uit Hengelo het slaan van onderwijzers.
  • PDF document Mej. prof. mr. dr. J.C. Hudig, prof. dr. G.Th. Kempe, e.a., (1947), Het strafprobleem Uitgave Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers Humanitas.
Links
Bewegende beelden

YouTube, 20 mei 2008 | Ruben krijgt straf.

YouTube, 20 oktober 2010 | Prügelstrafe of te wel billenkoek. Scene uit een Duitse klas, vlak voor de Eerste Wereldoorlog. Duitse pedagogen waren streng, legitimeerden het slaan en waren lange tijd een voorbeeld voor Nederlandse pedagogen.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste