Canon Sociaal Werk
NL | EN

Essays

Moet het sociaal werk mensen dwingen of met zachte hand verleiden? Zijn problemen individueel oplosbaar of verdient een structurele aanpak de voorkeur? Zijn mensen zelf verantwoordelijk voor hun levenswandel of mag de overheid ze een juiste levensstijl opdringen? Is gedrag nu biologisch bepaald of is gedrag het resultaat van sociale processen en de invloed van de omgeving?

De geschiedenis van sociaal werk lijkt soms wel een eindeloze herhaling van dit soort dilemma's, die in steeds nieuwe gedaanten opduiken. Deze repeterende vraagstukken vormen de verbindende draden tussen de verschillende vensters. Bij het begin van het Canon-project in 2009 vroeg de redactie een aantal auteurs om deze dilemma’s op een historische wijze uit te werken. Dat zijn de eerste zes essays van het overzicht. De daarop volgende essays zijn later toegevoegd en betreffen ook relevante algemene beschouwingen die over de grenzen van de verschillende afzonderlijke werksoorten en disciplines heen gaan.

L'état c'est moi, zei de Franse zonnekoning Lodewijk XIV - ‘De staat, dat ben ik.’ Zo'n uitspraak zou in de Republiek der Nederlanden in de achttiende eeuw bepaald als ongepast zijn ervaren. De Lage Landen kenden al eeuwen geen almachtige koning, de gegoede burgers en regenten waren heel goed in staat hun eigen boontjes te doppen. Deze staatsvorm was ongekend in de wereld en heeft grote invloed gehad op hoe het sociaal-politieke leven in Nederland zich heeft ontwikkeld.

Want de zorg voor armen en hulpbehoevenden was in de Republiek van een bijzonder niveau en hecht georganiseerd door sterke sociale netwerken, waarin arm en rijk elkaar vonden op basis van welbegrepen wederzijdse belangen. Toen in de negentiende eeuw de nationale staten elders in Europa steeds krachtiger en sturender werden, hielden deze lokale regentennetwerken stand en wisten zij de staatsalmacht buiten de deur te houden. Daardoor kon in Nederland de verzuiling ontstaan; een vrijheid om alles (onderwijs, zorg, welzijn) zoveel mogelijk in eigen kring te organiseren. Nederland bleef lang een land van ministaatjes.

Pas na de Tweede Wereldoorlog begon dat in Nederland te kantelen, toen de verzorgingsstaat, in samenspel met de roerige jaren zestig, de oude verzuilde elites aan de kant schoof en een nieuwe academisch gevormde elite zich aan het stuur van de verzorgingsstaat zette. Eerst wilden ze alles regelen (welzijnsplanning), later lieten ze de handen los van het stuur (marktdenken). Een echte ideale organisatie van het sociaal werk lijkt er niet mee gevonden te zijn.

Jos van der Lans laat zien hoe de organisatie van het sociaal werk vanaf de Middeleeuwen heeft geworsteld met de staat, met de regenten en misschien ook wel met zichzelf. Maar hij blijft hopen op een definitieve vredesregeling.

Lees het hele essay »

Er waren drie humanistische revoluties nodig om de mens tot zichzelf te brengen. Aan het einde van de Middeleeuwen trad hij uit de schaduw van gods genade, met de verlichting ontdekte hij de kracht van kennis, maar pas in de tweede helft van de twintigste eeuw ontdekte de (westerse) mens pas zichzelf als een zelfbeschikkend individu. Of zoals het in een beroemd liedje over Nederlanders wordt gezegd: 16 miljoen mensen / op dat kleine stukje aarde / die schrijf je niet de wetten voor / die laat je in hun waarde.

Maar wie is er nu verantwoordelijk voor als iemand in de sores belandt? Is hij dat zelf of is dat de overheid? In welke mate zijn bestuuders/autoriteiten daarvoor aanspreekbaar? En wanneer mag je iemand de wet voorschrijven, dat wil zeggen dwingen om iets te doen waar hij/zij zelf niet aan wil beginnen?

Die dilemma´s duiken voortdurend op in de praktijk van het sociaal werk. Jos van der Lans reist door de geschiedenis van de sociale zorg en constateert dat ondanks de vooruitgang die de drie humanistische revoluties ons heeft gebracht, het werk toch steeds tussen zelfbeschikking en bemoeizorg heen en weer wordt geslingerd. De kunst van professionals is nu om tussen deze polen de juiste koers te vinden.

Lees het hele essay »

In de periode na de tweede wereldoorlog is de verzorgingsstaat uitgebouwd en gegroeid. Er kwamen steeds meer professionele hulpverleners en ruimere subsidies voor welzijnsorganisaties. Maar hoe verhoudt die nieuwe ruimere formele zorg zich tot informele zorg, tot de zorg die burgers elkaar geven? Is er sprake van aanvulling tussen formele of informele zorg, of vechten ze elkaar de tent uit? Dat vraagstuk is met de introductie van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) weer expliciet op de agenda geplaatst, maar kent eigenlijk al een lange voorgeschiedenis.

Jan Steyaert gaat terug in de tijd om significante uitspraken in het denken over formele en informele zorg in kaart te brengen. Dat lijstje uitspraken wordt nadien herleidt tot een handvol metaforen die telkens opnieuw gehanteerd worden.

Lees het hele essay »

Het is uit professionele nieuwsgierigheid logisch na te gaan wat het sociaal werk heeft betekend toen en nu. Veel problemen waar sociaal werkers bijvoorbeeld in wijken en buurten tegenaanlopen hebben hun wortels in het verleden. De continuïteit van bepaalde sociale kwesties en maatschappelijke problemen is groter dan menigeen denkt.

Het meenemen van het historische perspectief kan helpen in het doordenken van het professioneel handelen. Historisch bewustzijn draagt bij inzicht te krijgen in de complexiteit van ‘wicked problems’ en helpt al te ambitieuze maakbaarheidsplannen te doorgronden en terug te brengen naar reële, haalbare, proporties in de praktijk.

Een blik op het verleden kan soms relativerend werken. Aldus Toby Witte, Lector Maatschappelijke Zorg aan de Hogeschool Rotterdam in een essay dat hij in oktober 2022 publiceerde voor het platform lectoren sociaal werk.

Lees het hele essay »