Canon Sociaal werk
In 1902 publiceerde de advocaat Johannes van den Brand een aanklacht tegen de rechteloze behandeling van contractarbeiders in Sumatra.
Peter Wilhelm Janssen (1821-1903), filantroop en oprichter van de Deli maatschappij op Sumatra.
Christian Wilhelm Janssen, zoon van P.W. Janssen, filantroop en plantagehouder in Noordoost Sumatra.
Een contractarbeider,saangeduid als koelie, op een tabaksveld, begin 20e eeuw.
Surveillance van contratarbeiders op een tabaksplantage
Sumatra-Post, 7 Mei 1902. Tussen vee en paarden worden contractarbeiders aangeboden.
Aanbieding van contractarbeiders. Advertentie in: Sumatra Post en Deli-Couramnt 1902
Johannes Leendert Thamerus Rhemrev (1854-1927) publiceerde in 1905 een vernietigend rapport over de behandeling van contractarbeiders.
Standbeeld van P. W. Janssen op het Bellamyplein in Amsterdam
In zijn laatste levensjaar 1903 richtte P.W. Janssen’s Friesche Stichting op, die in Friesland en Drenthe veel geld heeft gedoneerd aan een fors aantal publieke voorzieningen.
1902 De Miljoenen uit Deli
Liefdadigheid en koloniaal kapitaal
Eind 19e eeuw kloppen meerdere nieuwe initiatieven ter verheffing van arbeiders en de ontwikkeling van het sociaal werk met succes aan bij de steenrijke ondernemers Peter Wilhelm Janssen (1821-1903) en zijn zoon Christiaan Wilhelm Janssen. Zij financieren onder meer het volkshuis Ons Huis aan de Rozenstraat in de Jordaan, de Bouwonderneming Jordaan, waar Johanna ter Meulen de scepter zwaait en de Opleidingsinrichting voor den sociale arbeid, de latere School voor maatschappelijk werk. Christiaan staat (samen met zijn moeder) in 1910 ook aan de wieg van het Koloniaal Instituut (het latere Koninklijk Instituut voor de Tropen, tegenwoordig Wereldmuseum). De aanklacht van de advocaat Johannes van den Brand (1864-1921), die in 1902 in zijn vlotschrift De miljoenen uit Deli de nieuwe slavernij aan de kaak stelde, wordt genegeerd, weggehoond en terzijde geschoven.
Deli Maatschappij
Vader en zoon Janssen hebben hun kapitaal vergaard in het door Nederland gekolonialiseerde Indonesië, en wel in het noordoosten van het eiland Sumatra. Daar begon Peter Wilhelm, die in de graanhandel met Oost-Europa al het nodige kapitaal had vergaard, in 1870 de Deli Maatschappij, een succesvolle onderneming die tabaksplantage exploiteerde. Hij deed dat samen met Jacob Nienhuis (1836-1927), die eerder op Java zijn eerste stappen in de tabaksproductie had gezet. Jacob Nienhuis had aanvankelijk de leiding, maar moest al snel na de oprichting van de Deli Maatschappij Sumatra ontvluchten nadat hij ervan beschuldigd werd zeven contractarbeiders dood te hebben gegeseld. De dagelijkse leiding werd toen overgenomen door Jacob Cremer, die in de jaren tachtig als liberaal Kamerlid zijn entree maakte in de Nederlandse politiek, en tussen 1897 en 1901 minister van Koloniën was.
De onderneming werd meteen een succes. De eerste investering van 30.000 gulden leverde direct 37.000 gulden winst op. Eerst Nienhuis en later Cremer runden de exploitaties (uiteindelijk 120.000 hectaren) en P.W. Janssen handelde de zaken in Europa af. Hij heeft nooit een voet op Indonesische bodem gezet.
Barbaarse omstandigheden
De zaken liepen gesmeerd, het geld stroomde Nederland binnen. Het door P. W. Janssen vergaarde vermogen werd aan het einde van zijn leven geschat op zo’n 40 miljoen gulden, wat nu neerkomt op zo’n 500 miljoen euro. Vooral Jacob Nienhuis bouwde er in Nederland prachtige panden van, onder meer aan de Herengracht in Amsterdam de huidige burgemeesterswoning en het gebouw waar nu – wrang genoeg – het NIOD, het Instituut voor Oorlogs- Holocaust- en Genocidestudies, huist.
Dat stond in een schrijnend contrast met de omstandigheden waarin de contractarbeiders op hun plantages hun werk moesten doen. Onderzoek van de Indonesische hoogleraar Budiman Minasny laat daar geen misverstand over bestaan: ‘Het was daar aan het einde van de 19de eeuw het Wilde Oosten. Er bestond geen toezicht van een overheid. De Nederlandse plantagehouders deden precies wat ze wilden.” Janssen, Nienhuis en Cremer wisten heel goed wat zich in hun plantages voltrok. Budiman Minasny: “Deli Maatschappij) haalde na 1880 zeker 20.000 contractarbeiders, koelies, uit China. Vanuit Sumatra zijn er een half miljoen Chinezen en Javanen gerekruteerd. Dat ging door tot eind jaren twintig van de vorige eeuw. Ze leefden onder barbaarse omstandigheden op de plantages.’
Een kwestie van geluk
In Nederland lieten P. W. Janssen en in mindere mate Jacob Nienhuis zich van een heel andere kant zien. Janssen huldigde de opvatting dat het een kwestie van geluk was geweest, dat de Deli Maatschappij hem zo rijk had gemaakt. Hij was een vrome protestant en gedreven door de Bijbelse gedachte van het rentmeesterschap. Hij vond daarom dat zijn geld ook aan anderen ten goede moest komen. Zo heeft hij naam gemaakt als filantroop door het grote aantal goede doelen die hij oprichtte, bestuurde of financieel steunde. De Bouwonderneming Jordaan NV en Ons Huis in Amsterdam zijn slechts een van de vele voorbeelden. In zijn laatste levensjaar 1903 richtte hij P.W. Janssen’s Friesche Stichting op, die in Friesland en Drenthe veel geld heeft gedoneerd aan een fors aantal publieke voorzieningen.
Peter Wilhelms zoon Christiaan, die ook in Sumatra kapitaal vergaarde als plantage-eigenaar, handelde in zijn geest. Overigens liet hij op Sumatra een ziekenhuis bouwen. In Nederland was hij nauw betrokken bij de financiering gedurende de eerste twintig jaar van de School voor maatschappelijk werk.
Goed voor Nederlandse arbeiders
Prominente vertegenwoordigers van de zich langzaam organiserende arbeidersbeweging tonen zich niet echt gevoelig voor de lotgevallen van arbeiders in de koloniën. Zo schrijft Henri van Kol, oprichter van de SDAP en woordvoerder over internationale zaken, in 1904 in het maandblad De Nieuwe Tijd: ‘Daar de ontwikkeling van Nederland’s handel en scheepvaart evenals der industrie, ook den Nederlandschen arbeider ten goede komt, heeft deze een overwegend belang bij de bloei der koloniën.’
Bedenk daarbij dat toen al de eerste berichten ons land hadden bereikt over de uitbuiting en levensomstandigheden in de plantages in Sumatra. In 1902 publiceert de advocaat Johannes van den Brand een ongemeen heftige aanklacht tegen de mensenhandel (de koeliehandel) en uitbuiting van contractarbeiders, getiteld: De Miljoenen uit Deli. Het is een polemisch geschrift, waarin hij schrikbarende feiten aan het licht brengt van vastgebonden en verkrachte vrouwen, van lijfstraffen en vooral de rechteloosheid door de na de afschaffing van de slavernij in 1880 ingevoerde poenale sanctie als onderdeel van de koelieordonnantie. Dit rechtstelsel gaf de Nederlandse ondernemers de macht om zowel politie als rechter te zijn en resulteerde in grote misstanden: contractarbeiders waren volledig overgeleverd aan de ondernemers die uit waren op zo veel mogelijk winst. Bij de minste overtreding werden ze tot ongekend hoge boetes veroordeeld die ze met maandenlange ingehouden lonen moesten betalen.
Vervolgonderzoek
Van den Brands vlotschrift leide tot veel commotie, waarbij hij in de Indische kranten het vuur aan de schenen werd gelegd. In de media werd Van den Brand weggezet als iemand die incidenten bewust verdraaide en veralgemeniseerde en geen kaas had gegeten van hoe het er werkelijk aan toe ging. Desondanks bereikte zijn aanklacht de Tweede Kamer die in 1903 besloot tot een nader onderzoek. Dat werd uitgevoerd door de Oficier van Justitie Johannes Rhemrev (1854-1927), telg uit een gerespecteerde Indische familie, die in Leiden rechten had gestudeerd en daarna in Nederlands-Indïë carriere had gemaakt. Hij kende het land, sprak Javaans en Maleis, wat hem in staat stelde om met veel contractarbeiders gesprekken te voeren. In 1905 komt hij met een verslag (Rapport van de resultaten van het my by Gouvernements-besluit van 24 Mei 1903, no. 19 opgedragen onderzoek) dat er niet om liegt. Hij verhaalt uitvoerig over tal van verschrikkelingen, mishandelingen, martelingen en verkrachtingen. Hij brengt de gevolgen in beeld van de rechteloosheid die de koelieordonnantie met zich mee brengt. Niemand kan weg, gebonden aan de planter via contracten en (vaak fictieve) schulden.
De Tweede Kamer weet er geen raad mee. Het is te erg, het strookt totaal niet met het beeld dat Nederland van zichzelf heeft als een humane kolonisator. En niemand wil tornen aan de vele miljoenen die uit de Indische archipel Nederland binnen stromen. Nederland wilde het gewoon niet weten. Ook de bewogen Nederlandse volksverheffers niet, die er een stevig graante van meepikken. In de alarmerende berichten zien zij geen reden om kritische vragen te stellen bij de financiële steun van hun weldoeners. Eigen arbeiders eerst.
Besmet geld
De filantropsiche steun van de familie Janssen is in de geschiedenisboeken over het sociaal werk netjes en vaak terloops vermeld. Zij en nogal wat andere filantropen die hun geld in de koloniën verdienden figureren vooral als gevierde weldoeners. Ze werden geëerd met standbeelden en straatnamen. Over de herkomst van hun geld werd nauwelijks een woord vuil gemaakt. Maar nadat Nederland in de 21e eeuw is gaan worstelen met het slavermijverleden kan deze werkelijkheid niet langer onbesproken blijven. Het was besmet geld waarmee eind negentiende, begin twintigste eeuw in Nederland het fundament van het sociaal werk is gelegd.
Publicatiedatum: 25-06-2026
Datum laatste wijziging: 25-06-2026
Auteur(s): Jos van der Lans
Verwante vensters
Extra
Chinese migratie
Met de afschaffing van de slavernij in zicht ontstond in de Nederlandse koloniën al snel een grote vraag naar goedkope arbeid, zowel in Suriname als in Nederlands-Indië. Met name op plantages in Deli, in het toenmalige Nederlands-Indië, was de vraag groot. Kenmerkend voor de Chinese migratie was dat vrijwel alleen mannen werden gerekruteerd. Eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming tekende de arbeider een contract, meestal verzegeld van een vingerafdruk. De contracten beschreven de werkzaamheden van de arbeiders, bepaalden het loon en stelden een termijn vast – meestal drie tot vijf jaar, waarna de arbeider vrij was om een nieuw contract te sluiten of terug te keren naar het land van herkomst.
De arbeiders werkten lange dagen, grofweg 12 tot 14 uur per dag. Het werk op de plantages en in de mijnen was fysiek erg zwaar. Ze waren belast met taken zoals het kappen van suikerriet en jungle. Dit alles gebeurde onder extreme weersomstandigheden. De contractarbeiders woonden in overbevolkte hutten en barakken zonder enige privacy. De voeding van de arbeiders was eentonig en beperkt, met als grote vuller erg voedzame rijst.
Bovendien had de Nederlandse koloniale staat in 1880 de poenale sanctie ingevoerd als onderdeel van de koelieordonnantie. Dit gaf de Nederlandse ondernemers de macht om zowel politie als rechter te zijn en resulteerde in grote misstanden: contractarbeiders waren volledig overgeleverd aan de ondernemers die uit waren op zo veel mogelijk winst.
De Nederlandse belanghebbende ondernemers in Deli verenigden zich rond dezelfde tijd in de Deli Planters Vereeniging. Op aandringen van deze vereniging lukte het om met behulp van Duitse stoomvaartbedrijven directe migratie vanuit China naar Nederlands-Indië op te zetten. Op deze manier verzekerden ze zich van goedkopere, nieuwe arbeidskrachten.
Toch bleven de slechte werkomstandigheden van contractarbeiders, zowel inheemse als Chinese, niet onopgemerkt in Nederlands-Indië. Na de uitgave van De Millioenen uit Deli van Mr. J. van den Brand in 1902 trok de kwestie steeds meer aandacht. De Nederlandse overheid was bekend met de misstanden, maar het economische belang woog zwaarder dan het menselijke. Chinese contractarbeiders bleven tot in het midden van de 20e eeuw werkzaam in de Nederlandse koloniën. Zij, evenals hun lotgenoten uit India en Java, speelden een cruciale rol in de economische ontwikkeling van de Nederlandse koloniale bezittingen.
Literatuur
- Jos van der Lans (2026), Moderne geschiedenis van het sociaal werk Amsterdam: Uitgeverij Van Gennep.
- Jan Breman (1987), Koelies, planters en koloniale politiek: het arbeidsregime op de grootlandbouwondernemingen aan Sumatra’s Oostkust in het begin van de twintigsteeeuw. Dordrecht: Foris.
- Frans van Dongen (1966), ussen Neutraliteit En Imperialisme: De Nederlands Chinese Betrekkingen van 1863 Tot 1901 Groningen: Wolters.
- Budiman Minasny (2020), ’The dark history of slavery and racism in Indonesia during the Dutch colonial period’
- Jet Spits (2009), Sporen van P.W. Janssen. Ondernemer en filantroop Amsterdam: P.W. Janssen Friesche Stichting.
Aanvullend materiaal
- Mr Johannes van den Brand (1902), De Miljoenen uit Deli The Project Gutenberg eBook of De millioenen uit Deli.
- Vilan van de Loo (z.d.), Koelies, contractvrouwen, Deli en de ijzeren rug van mr Rhemrev Indische schrijfschool.nl.
- J.L.T. Rhemrev (1905), Rapport van de resultaten van het my by Gouvernements-besluit van 24 Mei 1903
Links
- Wikipedia Peter Wilhelm Janssen
- P.W. Janssen’s Friesche Stichting
- Website vijf eeuwen migratie: Contractarbeiders uit China
Video
24 maart 2026, YouTube | Twintig jaar is Jos van der Lans eindredacteur van de Canon sociaal werk, de omvangrijke digitale schatkamer van de geschiedenis van het sociaal domein, waaraan hij vele tientallen bijdragen leverde. In zijn boek Moderne geschiedenis van het sociaal werk, dat eind maart 2026 verscheen, heeft hij van deze losse onderdelen één meeslepend geheel gemaakt. In deze podcast gaat hij samen met Hetty Vlug op bezoek bij Hotel Mercier, in het hartje van de Amsterdamse Jordaan. Het is de plek waar zijn boek zo ongeveer begint. Het is ook een plek die dankzij de weldadige steun van P.W. Janssen is gerealiseerd. Tegenwoordig is het een chique hotel, maar in 1892 ontstond hier in Volkshuis Ons Huis het moderne sociaal werk.
