Canon Sociaal Werk
NL | EN

Canon ouderenzorg – onder constructie

In de jaren zeventig richtte nagenoeg elke gemeente een eigen Stichting Welzijn Ouderen op

In de jaren zeventig richtte nagenoeg elke gemeente een eigen Stichting Welzijn Ouderen op

Voor Minister Maga Klompé waren de zorg in bejaardenoorden en het ’open bejaardenwerk’ complementair.

Voor Minister Maga Klompé waren de zorg in bejaardenoorden en het ’open bejaardenwerk’ complementair.

In 1972 richtte de gemeente Hengelo als eerste een Stichting Welzijn Ouderen op

In 1972 richtte de gemeente Hengelo als eerste een Stichting Welzijn Ouderen op

Elke zichzelf respecterende gemeente kende in de jaren tachtig wel een eigen Stichting Welzijn Ouderen.

Elke zichzelf respecterende gemeente kende in de jaren tachtig wel een eigen Stichting Welzijn Ouderen.

De wandelstok en helpende handen zijn de voornaamse symbolen om activiteiten voor ouderen te illustreren.

De wandelstok en helpende handen zijn de voornaamse symbolen om activiteiten voor ouderen te illustreren.

1972 Stichting Welzijn Ouderen Hengelo

Ouderen als doelgroep van het welzijnswerk

-  O N D E R  C O N S T R U C T I E - 

 

In de jaren vijftig en zestig werd steeds duidelijker dat het bouwen van bejaardenoorden alleen niet voldoende was om het welzijn van ouderen te waarborgen. Rond 1960 telde Nederland ongeveer één miljoen inwoners van 65 jaar en ouder, bijna 10 procent van de bevolking. (Ter vergelijking: in 2026 waren dat er 2,9 miljoen, zijnde een vijfde van de bevolking.) Deze groeiende groep ouderen maakte ouderenzorg en ouderenwelzijn steeds nadrukkelijker tot een maatschappelijk en politiek vraagstuk.

Minister Marga Klompé van Maatschappelijk Werk zag dat deze ontwikkeling niet kon worden opgevangen door steeds meer bejaardentehuizen te bouwen. Begin jaren zestig waren er daarvan al ruim duizend. Via de Wet op de bejaardenoorden uit 1963 probeerde zij de groei en kwaliteit van deze instellingen in goede banen te leiden, maar tegelijkertijd waarschuwde zij ervoor ouderen te snel uit hun vertrouwde omgeving te halen. Opname in een tehuis moest volgens haar pas aan de orde zijn wanneer er werkelijk geen passend alternatief meer bestond. Een belangrijk uitgangspunt van het maatschappelijk werk was immers dat niet de oudere zich aan het bestaande hulpaanbod moest aanpassen, maar dat de hulpverlening moest aansluiten bij zijn of haar leefsituatie.

Open bejaardenwerk

Daarom ontstond het zogenoemde open bejaardenwerk: ondersteuning voor ouderen die zelfstandig thuis woonden, waarbij met ’open’ werd bedoeld: buiten het bejaardenoord. Vanaf het einde van de jaren vijftig kwamen onder die noemer overal bejaardensociëteiten, bezoekdiensten, warme-maaltijdvoorzieningen, huishoudelijke hulp en (re)creatieve activiteiten tot stand. Vooral de dienstencentra waren vernieuwend. Ouderen konden er terecht voor ontmoeting, activiteiten, informatie en praktische hulp. Rond 1974 waren er ongeveer 175 van zulke centra.
   Al snel bleek dat losse voorzieningen niet voldoende waren. Problemen rond huisvesting, gezondheid, vervoer, inkomen, huishoudelijke hulp en sociale contacten hingen nauw met elkaar samen. Vanaf het einde van de jaren zestig en vooral na de Nota Bejaardenbeleid  van 1970 werd daarom steeds vaker gesproken over gecoördineerd bejaardenwerk. Lokale voorzieningen moesten beter samenwerken, zodat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig konden wonen en actief konden blijven deelnemen aan de samenleving.

Hengelo als voorloper

In deze ontwikkeling liep Hengelo voorop. Daar werd in 1972, als eerste gemeente in Nederland, de Stichting Welzijn Ouderen opgericht. De naam was veelzeggend: niet langer stond alleen de zorg voor bejaarden centraal, maar hun bredere welzijn. Zelfstandig wonen, sociale contacten, actief blijven, informatie krijgen en als volwaardig burger meedoen aan de samenleving werden belangrijke uitgangspunten.
   Het Hengelose voorbeeld kreeg snel navolging. Gestimuleerd door overheidssubsidies richtten veel gemeenten een Stichting Welzijn Ouderen op, vaak als voortzetting van bestaande samenwerkingsverbanden binnen het open en gecoördineerde bejaardenwerk. Deze organisaties boden onder meer huishoudelijke hulp, maaltijdvoorzieningen, bewegingsactiviteiten, dagopvang, personenalarmering, vervoer en informatie en advies.

Welzijnswerk en emancipatie

De opkomst van het ouderenwelzijn paste in een veel bredere ontwikkeling. In de jaren zestig en zeventig groeide het welzijnswerk sterk. De overheid ging zich intensiever bezighouden met het sociale en culturele welzijn van burgers. Begrippen als ontplooiing, participatie, emancipatie en sociale redzaamheid kregen een centrale plaats in het beleid.
   Tegelijkertijd werd steeds vaker in doelgroepen gedacht. Jongeren kregen jongerenwerk, gastarbeiders specifieke welzijnsvoorzieningen en voor vrouwen ontstonden vrouwenhuizen en gespecialiseerde hulpverlening. Achter dit doelgroepenbeleid zat vaak een emancipatiegedachte: groepen die maatschappelijk kwetsbaar of achtergesteld waren, moesten worden geholpen om zelfstandiger te worden, zich te organiseren en volwaardig aan de samenleving deel te nemen.
   Ook ouderen kregen binnen deze benadering een eigen plaats als bevolkingsgroep die extra aandacht verdient. Na pensionering konden sociale contacten immers verminderen, inkomens waren vaak beperkt, woningen waren niet altijd geschikt en gezondheid en mobiliteit konden achteruitgaan. De overheid zag uitsluiting van deelname aan de samenleving daarom steeds meer als een vorm van achterstand die actief moest worden bestreden.
   Het beeld dat ouderenwelzijn vooral bestond uit bingo, kaarten en koffiedrinken doet dan ook geen recht aan het werk. Ontspanning en ontmoeting waren belangrijk, maar daarnaast boden de Stichtingen Welzijn Ouderen steeds vaker informatie en advies, huisbezoek, maaltijdvoorziening, vervoer, alarmering, hulp bij zelfstandig wonen, ondersteuning van vrijwilligers, voorbereiding op pensionering en belangenbehartiging. Ook beweging werd een belangrijk onderdeel, onder meer via Meer Bewegen voor Ouderen. Zo ontstond een professionele infrastructuur tussen zelfstandig thuis wonen en institutionele zorg.

De stichting verdwijnt, het werk blijft

Vanaf de jaren negentig veranderde het welzijnslandschap opnieuw. Gemeenten wilden voorzieningen meer wijkgericht en integraal organiseren. Afzonderlijke instellingen voor jongeren, ouderen, maatschappelijk werk en opbouwwerk fuseerden daarom vaak tot bredere welzijnsorganisaties.
   Veel zelfstandige Stichtingen Welzijn Ouderen verdwenen, maar hun werkzaamheden bleven bestaan. Ouderenadviseurs, maaltijdvoorzieningen, vrijwilligersdiensten, ontmoeting, mantelzorgondersteuning en projecten tegen eenzaamheid kregen een plaats binnen algemene welzijnsorganisaties.
   Tegenwoordig zien we opnieuw veel aandacht voor ondersteuning dicht bij huis, bijvoorbeeld in zorgzame buurten en wooncomplexen waar veel ouderen wonen (Lang leven thuis flats). Daarmee lijkt de geschiedenis bijna een cirkel te maken. De organisatievorm veranderde, maar de kern bleef dezelfde: goed ouder worden vraagt om meer dan medische zorg alleen. Sociale contacten, een geschikte woning, bewegingsvrijheid, zeggenschap, praktische ondersteuning en de mogelijkheid om te blijven deelnemen aan de samenleving zijn minstens zo belangrijk.

 

Publicatiedatum: 28-09-2026
Datum laatste wijziging: 11-10-2026

Auteur(s): Jos van der Lans


Verwante vensters

Video

YouTube, 16 oktober 2017 | Op 13 oktober 2017 vierde de Stichting Welzijn Ouderen (SWO) te Spijkernisse zijn 40 jarig bestaan. De SWO werd opgericht op 15 september 1977 door een groep enthousiaste en betrokken burgers. De eerste jaren was de SWO een organisatie die volledig op vrijwilligers draaide. Vanaf het begin van de jaren 80 komt er een betaalde kracht die er voor zorgt dat het alsmaar groeiende takenpakket goed wordt gecoördineerd. De uitvoering van activiteiten en diensten blijven net zoals nu hoofdzakelijk in handen van vrijwilligers. In de afgelopen 40 jaar is er feitelijk niets veranderd. De organisatie groeide, kreeg meer cliënten, meer vrijwilligers, meer taken en meer beroepskrachten. In 2017 werken er bij de SWO 13 beroepskrachten en zo’n 550 vrijwilligers.. Er worden diensten verleend op het vlak van maaltijdverstrekking, vervoer en kleine klussen in huis. Daarnaast kunnen cliënten bij de SWO terecht voor advies en ondersteuning als het gaat om wet en regelgeving, hulp en/of zelfstandig thuis blijven wonen. Jaarlijks bezoekt of ontvangt de SWO ruim 65.000 senioren op activiteiten of in hun thuisomgeving.

YouTube, 9 oktober 2020 | Terugblik op de activiteiten van de Stichting Welzijn Ouderen in Spijkernisse in de zomer van 2020.


< Vorige venster < Overzicht > Volgende venster >

Bestel nu

Moderne geschiedenis van het sociaal werk

‘Van der Lans leidt ons op een verhelderende wijze door de geschiedenis van mensen, niet alleen professionals, die werken aan een rechtvaardiger samenleving.’

Fresco Sam-Sin bij OVT