
Catharina Th. Bakker
Fré Dommisse
Schrijfster tussen normaal en abnormaal (1900-1971)
Als romanschrijfster is haar naam vrijwel vergeten, maar in de wereld van de geestelijke gezondheidszorg leeft zij voort als pionier en pleitbezorger. Voor Fré Dommisse (1900-1971) was literatuur geen doel op zich, maar een middel, aldus een recensent. Een rake typering. Fré Dommisse verwierf nationale faam met haar debuutroman Krankzinnigen (1929), gebaseerd op haar eigen ervaringen met jarenlange psychiatrische opnames. Met deze roman, en met de publicaties en voordrachten die volgden, richtte zij zich niet tot de literaire elite, maar tot het grote publiek. Ze kwam in het geweer tegen de wijdverbreide vooroordelen over de psychiatrie. Haar pleidooi tegen het stigma vond weerklank in lezingen, artikelen en vriendschappen – waaronder die met Simon Vestdijk. Haar strijd voerde ze vanuit Utrecht en later vanuit Doorn, waar ze leerde zich los te maken van schaamte en onmacht. Hoe zij dat voor elkaar kreeg, en wat het haar uiteindelijk bracht – dát is het verhaal van deze biografie.
Lees de lovende recensie van Petra Teunissen-Nijsse in het Biografie Portaal.
Lezing van Gemma Blok bij de boekpresentatie op 28 november 2025.
In 1929 publiceerde Fré Dommisse haar autobiografische debuutroman Krankzinnigen, een boek dat grote indruk maakte en vandaag kan worden gezien als een vroeg en krachtig voorbeeld van patiënten verzet binnen de Nederlandse psychiatrie. Het is fantastisch dat ze nu een biografie heeft gekregen dank zij Karin Bakker; het is een prachtig boek geworden.
Dommisse keerde zich niet tegen de psychiatrie als geheel: ze erkende dat mensen in psychische nood soms baat hadden bij rust, regelmaat en professionele aandacht. Haar kritiek richtte zich vooral op het stigma dat patiënten trof en op de fundamentele tweedeling tussen “normalen” en “abnormalen”, die naar haar inzicht door psychiatrische inrichtingen werd versterkt. Ziekenhuizen gebouwd in bossen en duinen symboliseerden volgens haar de maatschappelijke afzondering van mensen met psychische problemen.
In lezingen naar aanleiding van haar roman pleitte Dommisse voor een humane bejegening: mensen die opgenomen waren moesten als gewone mensen aangesproken blijven worden, juist wanneer ze verward of overstuur waren. Daarmee legde Dommisse een kernpunt vast dat tot op de dag van vandaag een drijvende kracht vormt achter psychiatrisch activisme: het recht om serieus genomen te worden, en niet gereduceerd tot een diagnose.
Historisch onderzoek naar de psychiatrie is lang vooral geschreven vanuit het perspectief van artsen, wetenschappelijke ontwikkelingen en instellingen. De laatste decennia is echter de aandacht flink gegroeid voor de ervaringen, stemmen en acties van patiënten. Vaak klonken stemmen die in verzet tegen hun ervaringen in de GGZ. Om het werk van Fré in context te zetten en haar belang te onderstrepen in de geschiedenis van de psychiatrie, is het denk ik goed om die geschiedenis van patiënten in verzet even kort door te lopen.
Kritiek heeft de psychiatrie altijd al begeleid. In de negentiende en vroege twintigste eeuw ontstond er al meteen een eerste golf aan controverse rond psychiatrische instellingen, mede door de explosieve groei van gestichtsbevolkingen. Ex-patiënten publiceerden schrijnende verslagen over dwang, gebrek aan hygiëne, hardhandige verpleging en inhumane therapieën. In Nederland schreven bijvoorbeeld Johanna Stuten-te Gempt (1892) en E. Meister (1902) over misstanden in gestichten. Toch waren deze uitingen nog overwegend individueel en ad hoc.
Dommisse sluit nauw aan bij deze eerste fase. Haar roman behoort tot de zeldzame, invloedrijke getuigenissen uit de periode vóór 1970. Maar anders dan veel negentiende-eeuwse critici richtte Dommisse zich niet voornamelijk op fysieke misstanden; zij richtte zich vooral op de sociale en morele grondslagen van uitsluiting. Daarmee verbreedde ze het register van patiënten verzet: zij maakte niet alleen misbruik zichtbaar, maar ook het epistemische onrecht dat patiënten werd aangedaan—het structurele ongeloof en wantrouwen dat hen omringde.
Vanaf de jaren zeventig ontstond in Nederland een georganiseerde cliëntenbeweging, met de Cliëntenbond, de Gekkenkrant en Junkiebonden als boegbeelden. Net als Dommisse ageerden activisten tegen het stigma van “abnormaliteit” en tegen dwang, de dominantie van medicatie-gebruik en het gebrek aan inspraak. De tegenbeweging radicaliseerde sommige van Dommisses thema’s: het recht op zeggenschap, het doorbreken van sociale tweedelingen en het zichtbaar maken van machtsmisbruik door professionals.
Hiermee kwamen onderwerpen op de agenda die Dommisse al intuïtief benoemde: het belang van menswaardige behandeling, het gevaar van institutionele afzondering, en de noodzaak patiënten zelf een stem te geven. Wat in Krankzinnigen nog een persoonlijke ervaring was, werd in de jaren zeventig een collectieve strijd.
Vanaf de jaren negentig verschoof het patiënten activisme richting samenwerking met professionals: ervaringsdeskundigen kregen een plek in teams, herstelacademies ontstonden, en “samen beslissen” werd een formeel uitgangspunt. Tegelijk bleef er kritiek bestaan op dwang, medicatie en gebrek aan echte gelijkwaardigheid. De kernemotie die veel activisten drijft—het gevoel niet gehoord te worden—sluit opnieuw aan bij Dommisses vroege pleidooi voor menselijke benadering en tegen reductie tot diagnose.
Wanneer we deze drie fasen overzien, valt op hoe uitzonderlijk en vooruitstrevend Dommisse was. Waar veel negentiende-eeuwse pamfletten vooral op misstanden gericht waren, bracht Dommisse een bredere culturele kritiek in. Ze beschreef niet alleen de klinische ervaringen, maar vooral de sociale verhoudingen die psychiatrische instellingen voortbrachten. Haar analyse van stigma, tweedeling en ontmenselijking was een noviteit in de Nederlandse context en zou pas decennia later een centrale rol spelen in cliëntenbewegingen.
Door fictie te schrijven die sterk autobiografisch was, vond Dommisse een vorm waarmee ze een breed publiek bereikte. Haar roman beleefde meerdere drukken en maakte haar tot een van de eerste Nederlandse schrijvers die publieke aandacht vroeg voor de leefwereld van psychiatrische patiënten. Daarmee functioneerde ze als culturele voorloper van latere activisten die via tijdschriften, pamfletten en media de publieke opinie beïnvloedden.Dommisses pleidooi om patiënten als “zeer gewone mensen” te blijven aanspreken, belichaamt precies wat in filosofische termen “epistemische onrechtvaardigheid” zou gaan heten: het structureel ondergraven van iemands geloofwaardigheid door diens diagnose. Veel latere activisten—van de Nederlandse schrijfster Jet Isarin tot de Belgische auteur Brenda Froyen—gaven woorden aan hetzelfde patroon dat Dommisse al in 1929 zichtbaar maakte.
Het gevoel dat het steeds over hen ging, maar zonder hun: zonder hun mening. Fré Dommisses werk vormt inhoudelijk een brug tussen de eerste fase van individuele getuigenissen en de latere collectieve strijd voor patiënten rechten. Thema’s als machtsongelijkheid, onvrijheid, stigma en het verlangen serieus genomen te worden lopen als een rode draad door haar boek. Deze thema’s zouden decennialang de agenda van cliëntenorganisaties bepalen. Voor Nederlandse aanhangers van de internationale Beweging voor Geestelijke Hygiene vormden Dommisses inzichten een belangrijk referentiepunt. Haar werk paste in een bredere modernisering van de zorg: meer ambulante behandeling, afbouw van instituties, en een nieuwe aandacht voor menselijke waardigheid.Hoewel Dommisse niet primair als activist opereerde, had haar literaire en maatschappelijke interventie een grote invloed. Zij gaf taal aan ervaringen van stigma, machteloosheid en bejegening die in latere decennia door cliëntenbewegingen werden opgepakt en gepolitiseerd. Daarmee markeert Krankzinnigen een vroeg, cruciaal keerpunt in de Nederlandse geschiedenis van psychiatrisch patiënten verzet: een zeldzaam helder geluid dat de kloof tussen “normaal” en “abnormaal” niet als medisch, maar als maatschappelijk probleem ontmaskerde.
Zoals Karin Bekker het terecht verwoordt: “Fré Dommisse was een geëngageerd schrijfster en vanwege de inhoud van de missie kan zij worden beschouwd als de Nederlandse versie van de Amerikaanse schrijver Clifford Beers, een van de wegbereiders van de Mental Hygiene Movement.” Ze maakte indruk met haar boeken, zoals ook haar roman Het licht op den drempel uit 1937, die in korte tijd twee drukken beleefde. De roman werd geprezen om zijn ‘diep menschelijk mededoogen’ en de ‘hooge sociale idealen’ die de schrijfster nastreefde. De hoofdpersoon in het boek is nazorgzuster Til, die ijverig de stad doorfietst om op huisbezoek te gaan bij patiënten die in gezinsverpleging zitten. Steeds moest worden bekeken of het nog wel ging in de gezinnen. Aan het einde van de roman houdt Til een bevlogen pleidooi: Op den drempel van het gesticht zoeken patiënten soms weer tastend den weg terug naar onze samenleving, een weg, dien zij in veel gevallen niet meer alleen kunnen vinden, zoodat zij angstig terugdeinzen. Het is de liefde der geestesgezonden, die hun hier de hand moet reiken, de liefde, die mededoogen kent ten opzichte der geestelijk misdeelden. […] Die liefde te wekken […] dàt is de taak van den voor- en nazorgdienst voor geesteszieken, dat is: Het licht op den drempel!
Dommisse staat zo aan het begin van een traditie waarin patiënten zich verzetten tegen uitsluiting en ontmenselijking, en opkomen voor hun recht gezien en gehoord te worden. En daarbij ook de ‘geestesgezonden’ wijzen op hun plicht en aandeel hierin. Haar werk vormt een fundament waarop generaties activisten hebben voortgebouwd — en dat vandaag nog niets aan urgentie heeft verloren.