Canon Sociaal Werk
NL | EN
De Bestedeling

Menno Lanting

De Bestedeling

De geschiedenis van kinderveilingen in Nederland

s2uitgevers, Baarn, 2025
ISBN 9789493282636
€ 20.00

R E C E N S I E

 

De overgrootmoeder van Menno Lanting verloor in 1877, toen ze vijf jaar oud was, binnen enkele dagen haar vader en haar moeder. Hoe het daarna verder ging met zijn overgrootmoeder kwam Lan-ting nooit te weten. Zijn moeder sprak er weinig over. Het enige aanknopingspunt was een verhaal in de familie dat zij was geplaatst in een kindertehuis in Deventer. Lanting ging op onderzoek uit in het stadsarchief.

Al snel komt hij erachter dat er na de dood van de ouders van zijn overgrootmoeder een familiebe-raad is geweest over de toekomst van de kinderen. Dit werd georganiseerd bij het kantongerecht in Deventer. Het stadsbestuur besloot om twee familieleden als voogd aan te stellen. De kinderen wer-den geplaatst is een lokaal kindertehuis. Maar wat de familieverhalen niet vertelden, werd daarna snel duidelijk voor Lanting. De kinderen bleven niet in het kindertehuis, maar werden uitbesteed in wat Lanting omschrijft als een kinderveiling. 
Uitbesteding was al lang een staande praktijk. Het gebeurde niet alleen met kinderen, maar ook met arme ouderen en gehandicapten. Deze mensen werden uitbesteed aan degene die het laagste bedrag vroeg voor hun kost en inwoning. In 1877 werden van de plusminus 27.500 weeskinderen 15.000 tot 20.000 uitbesteed aan particulieren. Helemaal onbekend is deze praktijk niet. In de Canon Sociaal Werk wordt hier bijvoorbeeld al melding van gemaakt. Maar Lanting stelt dat dit regelmatig gebeurde in kleine bijeenkomsten op dorpspleinen of uitspanningen waar letterlijk kon worden ‘geboden’ op de kinderen die daarbij aanwezig zijn. Hij noemt dit kinderveilingen. Lanting schetst aan de hand van de archie-ven hoe het leven van deze kinderen verliep.  

Investering die zich moest terugverdienen
Ergens op twee derde van het boek haalt Lanting een onderzoek aan uit 1957. De helft van de gezin-nen die een bestedeling opnamen waren boerengezinnen, de andere helft arbeidersgezinnen. De kinderen werden volgens hem niet voor niets ‘uitbesteed’. Zij werden ingezet om te werken op het land, in het huishouden of in een fabriek. Door de eeuwen heen waren bestedelingen dus vaak een inves-tering die zich terug moest verdienen. Bestedelingen werden niet geplaatst bij de midden- en hogere klasse. 
Lanting beschrijft hoe de kinderen op jonge leeftijd de gevolgen ondervinden van dit leven. Het is zwaar, noden van de kinderen worden onvoldoende gezien en dit leidt tot allerlei vormen van ellende, terugtrekking, vlucht, weerstand, rebellie en protest. In sommige gevallen maken de kinderen in eenzaamheid en wanhoop een einde aan hun leven, zo laat hij aan de hand van archiefonderzoek zien.

De zogenoemde veiling van mensen ontstond in de late middeleeuwen. Lanting geeft een duidelijke reden voor het ontstaan: In de 12e en 13e eeuw begon armoede een groot probleem te worden sa-menhangend met de overgang van een agrarische naar een meer handelsgerichte economie. De vangnetten die eeuwenlang bestonden in zelfvoorzienende dorpsgemeenschappen vielen stap voor stap weg terwijl de bevolking groeide. Uitbesteding werd niet meer in kleine gemeenschappen geor-ganiseerd. Weeshuizen en andere – veelal kerkelijke – opvanghuizen raakten overvol. Om mensen in nood toch van een plek te voorzien moest men gezinnen verleiden om iemand op te nemen. Armoede en uitbesteding werden zo met elkaar verbonden. ‘Uitbesteding werd niet alleen een systeem van zorg,’ stelt Lanting, ‘maar ook een economisch systeem.’ 

Openbare veilingen
Openbare ‘veilingen’ van wezen, ouderen en gehandicapten ontstonden volgens Lanting in de 17e eeuw deels als reactie op de misstanden van economische uitbesteding. ‘Door hulpbehoevenden openbaar te veilen hoopte men het proces eerlijker en efficiënter te maken.’ stelt Lanting. ‘De veilin-gen boden een manier om controle te houden over wie zorg kreeg en tegen welke prijs.’ Ook hoopte men op deze manier het toezicht te verbeteren. Aan de hand van vele voorbeelden toont Lanting aan dat het veilingsysteem geen einde maakte aan de economische afhankelijkheid van de bestedelin-gen. Zij bleven gebruikt worden als goedkope en vrijwel rechteloze arbeidskrachten. Een praktijk die wel verminderde maar niet verdween toen de pleegzorg na de Kinderwetten van 1905 via Voogdijver-enigingen een steviger juridische basis kreeg. 
In dat opzicht valt er over het boek wel een kritische noot te kraken. Op de achterkant staat met vet-te letters: ‘Tot diep in de twintigste eeuw was het realiteit in Nederland: kinderen, ouderen en mensen met een beperking werden geveild aan de laagste bieder.’ Dat is een aanprijzing die het boek niet waarmaakt. Zeker, er ging ook na 1905 veel mis in de Nederlandse kinderbescherming, maar we kunnen op goede gronden aannemen dat de praktijk van uitbesteding tegen het laagste bod en dus van kinderveilingen plaats maakte voor juridisch onderbouwde plaatsing onder de hoede van voog-dijverenigingen in gezinnen of tehuizen. Gezinsverpleging was al sinds de oprichting van de Maatschappij tot Opvoeding van Weezen in het Huisgezin in 1874 een ook in pedagogische zin aangeprezen vorm van opvang voor jongeren die niet langer thuis konden verblijven. Kinderveilingen staan daarmee op gespannen voet. 

De zusjes uit Megen
Deze ontwikkelingen namen niet weg dat er in de 20e eeuw nog veel mis kon gaan. Lanting beschrijft een geval van zware mishandeling van pleegkinderen in 1935. De 9-jarige Annie Hollaar en haar 6-jarige zusje Everdine getuigden tegen hun 61-jarige pleegmoeder Mina Walraven uit het plaatsje Megen. Annie en Everdine waren tegen een vergoeding van 35 cent per dag per kind bij Walraven geplaatst. De rechtbankvoorzitter somde de vele wonden en schrammen op die waren gevonden. Annie gaf aan dat haar zusje met een ijzeren stok werd geslagen en met haar handen gebonden te-gen een brandende kachel werd geduwd. Twee jongens die eerder bij Walraven verbleven vertelden dat zij weinig en slecht eten kregen, werden geslagen met een wasbord of een stok. Zij moesten slapen in een schuur met onvoldoende beddengoed. Tegen Walraven werd een gevangenisstraf van 6 maanden geëist. 
Diverse malen hadden buurtgenoten van Mina Walraven bij de lokale kerk aan de bel getrokken over de behandeling van de zusjes en twee jongens die eerder bij haar waren ondergebracht door de Vin-centiusvereniging in Den Haag. Maar Walraven stond bekend als een keurige vrouw die haar kerke-lijke plichten vervulde. Er werd wel gecontroleerd, maar de bezoeken werden van tevoren aangekon-digd. Walraven zorgde dat alles er keurig uitzag wanneer de inspectie langs kwam. In Megen was er iemand aangewezen om toezicht te houden, maar wie dat precies was, bleef ook tijdens de rechtszit-tingen onduidelijk. De jongens en de meisjes durfden niets te zeggen omdat zij bang waren niet te worden geloofd. Pas toen de burgemeester ingreep kwam er een einde aan de lijdensweg van de zusjes Hollaar. 

Professionalisering pleegzorg
Pleegouders werden voor de Tweede Wereldoorlog niet of nauwelijks begeleid, de controle op de zorg was miniem en naar de kinderen werd hoegenaamd niet geluisterd. De kritische psychiater Grewel typeerde dat in 1936 als een roekeloos systeem, dat ernstige verwaarlozing mogelijk maak-te. Pas na de oorlog begon dat langzaam maar zeker te veranderen. Pleegzorg is inmiddels in hoge mate geprofessionaliseerd. Het belang van het kind staat voorop. Kennis over ontwikkeling en op-voeding maakt deel uit van de begeleiding van de pleegouders. Vele pleegouders zetten zich in voor kinderen tegen een vergoeding die doorgaans wordt benut ten bate van een gezonde ontwikkeling van het kind. Werden uitbestede kinderen nog gezien als verdienmodel; in deze tijd gaat het om een rechtvaardige en met andere kinderen gelijkwaardige behandeling, vastgelegd in verdragen en kin-derrechten.
                    
Toch gaat het nog soms nog gruwelijk mis. In Vlaardingen is een meisje door haar pleegouders ern-stig mishandeld met blijvend ernstig letsel tot gevolg. Tegen de pleegouders zijn forse straffen ge-eist. Het wachten is op de uitspraak van de rechtbank. Het verhaal van de zusjes Hollaar in 1935 vertoont opvallende gelijkenissen met het verhaal van het Vlaardingse meisje 90 jaar later. 

Falende instanties
Wat we inmiddels weten is dat de pleegouders in Vlaardingen de vergoeding voor de pleegzorg goed konden gebruiken. Economische motieven zijn dus nog niet helemaal verdwenen uit de pleegzorg van nu. We weten ook dat het toezicht tekort schoot. In Vlaardingen werden - voor zover nu bekend - inspecties van tevoren aangekondigd. De inspecteurs werden bovendien niet toegelaten tot de wo-ning. De toezichthouder ging op amicale manier met de pleegouders om en sprak lovend over hen tegenover de toezichthoudende instanties. De biologische moeder trok diverse malen aan de bel; maar zij werd niet geloofd en niet gehoord. Het Vlaardingse meisje van inmiddels 11 jaar heeft meer-dere pogingen gedaan om eerst op straat en op school en later bij de politie aandacht te vragen voor haar situatie. Maar - voor zover nu bekend - niemand geloofde haar. Organisaties en professionals rond het Vlaardingse pleeggezin hebben, op een soortgelijke manier als in 1935 bij Mina Walraven, gefaald om signalen van kwetsbare kinderen en direct betrokken naasten en buurtbewoners serieus te nemen. Toezicht blijft een belangrijk aandachtspunt. 
Ook al is de pleegzorg van nu onvergelijkbaar met de uitbesteding van toen, pleegzorg blijft zorg op het scherpst van de snede.

Geesken Staal, de overgrootmoeder van Menno Lanting, werd in 1877 geplaatst op een boerderij in Epse. Daar kreeg ze kennis aan de boerenknecht. Zij trouwden op 4 augustus 1892 in Deventer. Geen van de achterkleinkinderen van de familie Staal was op de hoogte van het feit dat hun over-grootouders bestedelingen waren. Met zijn studie naar de bestedelingen heeft Menno Lanting niet alleen een stukje van zijn familiegeschiedenis blootgelegd, maar ook een belangrijke bijdrage gele-verd aan de historische kennis over de geschiedenis van de pleegzorg. 

Peter Rensen