Thijs Janssen
Aan de goede kant (ESSAY)
Hoe het verlangen om moreel goed te zijn het kwaad kan legitimeren
Toelichting van Thijs Janssen op LinkedIn:
We willen niet alleen het goede doen. We willen ook goede mensen zijn — en door anderen als zodanig worden gezien.
Dat verlangen is op zichzelf waardevol. Zonder behoefte aan zelfrespect, morele erkenning en een goed geweten zouden we ons vermoedelijk veel minder bekommeren om rechtvaardigheid, solidariteit en de gevolgen van ons handelen.
Maar precies daar schuilt ook een risico.
Goede bedoelingen en verheven idealen kunnen ons aansporen tot verantwoordelijkheid. Ze kunnen echter ook veranderen in een vorm van morele zelfvrijwaring: omdat we ons met het goede doel verbinden, gaan we schadelijke gevolgen gemakkelijker zien als tijdelijk, noodzakelijk of onvermijdelijk.
In dit essay onderzoek ik dat mechanisme aan de hand van drie denkers:
- Alfred Fouillée (1838–1912), die morele ideeën wilde begrijpen als krachten die mens en samenleving naar een hogere toekomst voeren;
- Anténor Firmin (1850–1911), die liet zien hoe wetenschap, beschaving en solidariteit koloniale overheersing konden legitimeren — en tegelijk het morele zelfbeeld van de kolonisator beschermden;
- Hannah Arendt (1906–1975), die onderzocht wat er gebeurt wanneer mensen zich achter categorieën, rollen en historische noodzakelijkheden verschuilen en daardoor niet meer werkelijk zien wat hun handelen met anderen doet.
Een belangrijk begrip bij Arendt is gedachteloosheid. Daarmee bedoelt zij niet domheid of gewone onnadenkendheid. Ook intelligente en ontwikkelde mensen kunnen gedachteloos handelen. Zij kunnen redeneren, organiseren en regels toepassen zonder nog te zien wat hun handelen voor concrete anderen betekent. Morele zelfvrijwaring versterkt dat: wie zichzelf als dienaar van een goed doel ziet, kan schadelijke gevolgen gemakkelijker als noodzakelijk of onvermijdelijk voorstellen.
Werkelijk denken is daarom meer dan argumenteren of een samenhangende theorie ontwikkelen. Het vraagt dat wij onze begrippen door de werkelijkheid laten corrigeren, dat de gevolgen van ons handelen ons zelfbeeld kunnen aantasten en dat degenen over wie wij spreken ons als gelijken kunnen tegenspreken. Denken moet niet alleen vormend, maar ook zelfonderbrekend zijn: het vraagt dat we bereid zijn onze positie, onze goede bedoelingen en het beeld dat we van onszelf hebben te herzien.
De kernvraag van het essay is:
Wordt onze behoefte moreel gerespecteerd te zijn werkelijk een motief om beter te handelen, of is het slechts een middel om niet tot ons te laten doordringen wat ons handelen met anderen doet?
Die vraag lijkt mij zeer actueel.
De centrale gedachte luidt:
Niet het verlangen een goed mens te zijn is gevaarlijk, maar de overtuiging dat wij het al zijn.
