1973 Culturele autonomie
Een tsunami van wetgevend werk rond cultuur
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Toen in 1970 de culturele autonomie een feit werd, ontstond de opdracht een eigen wettelijk kader voor de culturele sector uit te werken. In korte tijd werd heel wat wetgevend werk verricht, vooral tijdens het ministerschap van Rika De Backer-Vanocken (1974-1981). Een analyse van de eerste decreten geeft een beeld van de beleidsvisie uit die beginperiode.

Het brede sociaal-cultureel werk was het eerste werkveld waarvoor decreten werden goedgekeurd. Om recht te doen aan de grote diversiteit aan activiteiten en verschijningsvormen werd de erkenning en subsidiëring geregeld per sector en naargelang van de sector ook per werksoort. De culturele centra kregen een eigen decreet (1973), zoals ook de bibliotheken (1978). Het sociaal-cultureel werk met volwassenen werd geregeld per werksoort: verenigingen (1975), instellingen (1978) en amateurkunsten (1980). De eerste duurzame wetgeving voor de jeugdsector werd het decreet voor het landelijk jeugdwerk (1975).

In opvolging van het Cultuurpact werden in 1975 en 1976 respectievelijk voor het sociaal-cultureel werk met jongeren en met volwassenen coördinatieorganen en koepels opgericht . Ze hadden elk een aantal ideologisch of filosofisch verwante organisaties als aangesloten lid of groepeerden organisaties die zich niet wensten te bekennen en zich pluralistisch opstelden. Ook in de sector van de amateurkunsten was de verzuiling duidelijk merkbaar.Het decreet voor de gemeentelijke culturele raden (1974) regelde conform het Cultuurpact de aanwezigheid van gebruikers en ideologische en filosofische strekkingen in dit adviesorgaan.

De prioritaire aandacht voor het sociaal-cultureel werk toont dat een ruim cultuurbegrip werd gehanteerd en dat een beleid werd gevoerd dat breder gaat dan een kunstenbeleid. Deze ruime visie op cultuur liep parallel met de aandacht voor democratisering van de cultuur en cultuurparticipatie. Cultuurspreiding via culturele centra, bibliotheken en het verenigingsleven was een belangrijke hefboom om de deelname te bevorderen. De beleidsaandacht voor participatie krijgt in 2008 zelfs een eigen decreet: het Participatiedecreet van minister van Cultuur Bert Anciaux .

De eerste ministers verantwoordelijk voor het cultuurbeleid waren allen van christendemocratische signatuur. Zij waren pleitbezorgers van het subsidiariteitsbeginsel en dus van een louter voorwaardenscheppend beleid. Later werden wel thema’s en prioriteiten vooropgesteld als stimulansen voor bijkomende subsidiëring. In het jeugdwerk ontstond echter al in de jaren zeventig de traditie om in co-management tussen sector en overheid, vooral infrastructuur en Europese fondsen samen te beheren.

Niettegenstaande de overwegend kwantitatieve normen in de eerste generatie decreten en de gedetailleerde regelgeving zijn, via de subsidiëring van professionele medewerk(st)ers, toch ook de eerste sporen terug te vinden van een meer kwalitatieve benadering. In het jeugdwerk gebeurt dit bovendien door de ondersteuning en overheidsattestering van kadervormingsinitiatieven. Voor de echte omslag naar een hoofdzakelijk kwalitatieve normering is het wachten tot de beleidsperiode van minister Bert Anciaux.

Van bij de start van de culturele autonomie was de afstemming tussen de verschillende beleidsniveaus problematisch. Kort na de goedkeuring van het decreet voor het landelijk jeugdwerk werd geijverd voor een decreet voor het plaatselijk jeugdwerk. Dit bleef echter in de steigers staan tot het jaar 1993. Terwijl voordien de Vlaamse overheid via een aantal reglementen nog rechtstreeks tussenkwam in de ondersteuning van kampen, jeugdhuiswerkingen, speelpleinen... zouden voortaan gemeenten en provinciebesturen instaan voor hun eigen jeugdbeleid. Deze overheden kregen hiervoor een financiële tussenkomst van de Vlaamse overheid op voorwaarde van een voldoende planmatige en participatieve aanpak van hun beleid. Deze beleidsomslag zou later ook als voorbeeld gelden voor de ondersteuning van onder meer het lokaal cultuurbeleid.

Publicatiedatum: 18-03-2013
Auteur(s): Hugo De Blende,
Verder studeren
Literatuur
  • De Blende, H. & Dhont, F. (2005), Sociaal-culturele praktijken, in Larock, Y., Cockx, F., Gehre, G.,Van den Eeckhout, G., Vanwing, T. & Verschelden, G. (Red.), Spoor zoeken. Handboek sociaal-cultureel werk met volwassenen. Gent, Academia Press.
  • De Laeter, D., De Pauw, W., Lemahieu, T., & Vermeersch, L. (2008), Sociaal-cultureel en educatief werk..  Een wegwijzer door het beleid in Vlaanderen. Mechelen: Wolters Kluwer.
  • De Pauw, W. (2005), Minister dixit.  Een geschiedenis van het Vlaamse cultuurbeleid. Antwerpen-Appeldoorn: Garant.
  • Oosterlinck, R. (2005), Een historische schets van het sociaal-cultureel volwassenenwerk in Vlaanderen, in Y. Larock, F. Cockx, G. Gehre, G. Van den Eeckhout, G.Vanwing & G.Verschelden (Red.), Spoor zoeken. Handboek sociaal-cultureel werk met volwassenen. Gent, Academia Press.
  • Van Bouchaute, B., Van de Walle, I., & Verbist D. (2001), Strax. Jeugdwerk verkent de toekomst,  Leuven-Apeldoorn: Garant.
  • Vermeulen, D. (1985), De sociaal-culturele sector.  Een studie van de verzuiling, de professionalisering en het overheidsbeleid. Leuven: Helicon.
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste