1952 Jeugdhuiswerking gestart
De pluralisering van jeugdwerkvormen
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Na WO2 was de verdediging van de jeugdbeweging als noodzakelijk "aanvullend opvoedingsmilieu” van gezin en school nog bijzonder sterk. Pedagogen verwezen daarvoor naar de bedreiging van het overweldigend commerciële vrijetijdsaanbod en naar het geloof in de opvoedende waarde van de jeugdbeweging.
Jongeren die geen lid van een jeugdbeweging waren, ook al waren ze bij een sportclub of muziekgroep, werden tot de ongeorganiseerde jeugd gerekend.
Voor hen was, volgens de visie toentertijd, laagdrempeliger aanbod noodzakelijk, zoals het jeugdhuis (oorspronkelijk jeugdtehuis). Het was Lucy Demeure, die in het kader van de Young Women’s Christian Association (YWCA) in Antwerpen, het eerste jeugdhuis oprichtte in 1952. In 1960 werden voor het eerst 14 Nederlandstalige jeugdhuizen erkend die elk eenzelfde subsidiebedrag ontvingen van de Nationale Dienst voor de Jeugd.

De jeugdhuispedagogiek veranderde in de tweede helft van de jaren 60. Er ontstond meer aandacht voor het ”samen jong zijn”, de zelforganisatie en het experimenteren. Hieruit volgde een andere benaderingswijze, die uitging van een verscheidenheid van functies van het jeugdhuis (Faché, 1969). In 1973 werd de subsidieregeling herzien en gebaseerd op de wérkelijke functies die een jeugdhuis vervulde. Daarenboven werd de loonsubsidiëring van één medewerker verhoogd tot 75%, waardoor een prille professionalisering werd ingezet. Door de beroepskrachten, vooral komende van sociale scholen, kwam er ontzuiling van binnenuit. Deze evolutie paste in een breder maatschappelijk ontzuilingsklimaat.

Vanuit de bezorgdheid om de jeugd en hun vrije tijd ontstond de wet van 15 ju1i 1960 op de zedelijke bescherming. Daarin werden jongeren onder 18, verboden om danszalen te betreden zonder ouder of voogd. Niet-commerciële initiatieven vielen niet onder deze wet, waardoor vooral jeugdhuizen een monopoliepositie kregen in het organiseren van dansavonden en zo een exponentiële groei kenden. Wanneer in 1973 de toegangsleeftijd tot dancings werd teruggebracht op 16 jaar, verdween die monopoliepositie en stabiliseerde het aantal jeugdhuizen vanaf 1973 tot in de jaren 80.

Het jeugdhuiswerk was de eerste verschijningsvorm van open jeugdwerk. Nadien kwamen de jongereninformatie en -adviescentra.
Jeugdwerkers, leerkrachten, psychologen in PMS-centra en andere opvoeders die het wilden zien, werden in de jaren 60 en 70 geconfronteerd met een toenemend aantal jongeren met problemen. De traditionele hulpverlening zag dat niet of wist niet hoe het aan te pakken. Willy Faché maakte dit tot onderzoeksterrein. Samen met psychologen, juristen, medici en maatschappelijk werkers nam hij daarop in 1966, het initiatief tot de creatie van het jongereninformatie- en adviescentrum “Info-Jeugd” in Gent. Daarna ontstonden in verschillende steden van die jongereninformatie- en -adviescentra. De eerste subsidiëringscriteria (15 juni 1976) verplichtten de centra te kiezen voor één van de functies informatie of advies. Dit overheidsbeleid installeerde hierdoor een tweedeling die tot op heden bestaat. Jongereninformatie- en-adviescentra hadden tijdens de beginperiode een aantal belangrijke kenmerken gemeen, zowel qua diagnostiek als qua hulpverleningsmethode, verschillend van het gevestigde hulpverleningssysteem. Zij werden daarom alternatieve hulpverleningscentra genoemd.

Bepaalde functies van jongereninformatiecentra en jeugdhuizen ontwikkelden zich in de loop van de jaren 70 tot eigenstandige werkvormen en zetten de differentiatie van het jeugdwerk verder. Zo ontstonden er jongerencentra voor maatschappijvernieuwing en jeugdservicecentra. Deze laatsten verleenden service aan initiatiefrijke jongeren en actiegroepen, later geïntegreerd in gemeentelijke jeugddiensten van begin zeventiger jaren.

De initiatieven op het gebied van jeugdhulpverlening, samen met specifieke aandacht voor jongerenopvang, werkloze en werkende jongeren, kansarme jongeren en sociale ongelijkheid leidden tot verbreding van een oorspronkelijk op de vrijetijdsbesteding gefocust jeugdbeleid. Die verbreding werd uitgedrukt in de term 'jeugdwelzijnsbeleid'.

Andere methodische differentiaties sloten aan bij specifieke interesses van jongeren en leidden tot het ontstaan van jeugd(muziek)ateliers, jeugdgroepen op het gebied van kunst, wetenschappen en natuurstudie. Ook de belangstelling voor de op gezondheidszorg gefocuste vakantiekolonies verschoof naar taal-, sport- en themakampen en speelpleinen. Ondertussen worstelden de jeugd- en jongerenbewegingen met een existentiële crisis, ook al bleven ze de meest verspreide jeugdwerkvorm.
Tekst van prof.em.dr.Willy Faché.

Publicatiedatum: 18-04-2013
Datum laatste wijziging :18-03-2016
Auteur(s): Willy Faché,
Verder studeren
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste