1848 Hervormingsscholen in Ruislede
Van straffen naar heropvoeding
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Rond 1840 begint de economische crisis met de terugval van de linnenindustrie en de huisnijverheid. In 1845 jaagt pure hongersnood kinderen en jongeren het huis uit. Ze zoeken hun weg door het land, trekken westwaarts tot de zee en zorgen voor overlast en onveiligheid. Als criminelen opsluiten in gewone gevangenissen wordt steeds minder als oplossing gezien.
Édouard Ducpétiaux, inspecteur-generaal van het Gevangeniswezen en de Weldadigheid, krijgt zo de kans om zijn plannen voor des Écoles de Réformes in het noorden te realiseren, nadat in 1839 al een strafinrichting voor jonge gedetineerden startte in Saint-Hubert. De inspiratie haalde hij uit het Franse Mettray, waar een eerste specifieke landbouwgeoriënteerde aanpak voor jonge delinquenten was opgezet. Daarbij lag het accent minder op straf (gevangenis) maar op (her)opvoeding (hervormingsschool). Doelstelling was de jongeren te begeleiden ‘tot nuttige burgers en bekwame arbeiders, om armoede en bedelarij uit te roeien’.

Ducpétiaux kreeg voldoende politieke steun voor zijn nieuwe aanpak en op basis van de wet van 3 april 1848 kwamen er extra inrichtingen: in Ruiselede voor jongens (1849), in Beernem voor meisjes (1853) en in Wingene (1855-56) voor een opleiding tot scheepsjongen. In Ruiselede wou men 500 jongens, in Beernem 400 meisjes en kinderen tussen de twee en zeven opvangen en honderd jongens in Wingene, waarvoor een heus schoolschip werd gebouwd. Matroos worden bleek trouwens heel aanlokkelijk. In 1854 kwam er al een ‘succursale’. Vanaf 1891 zou de matrozenschool echter leeglopen.

Maar de eerste activiteit was op het Sint Pietersveld te Ruiselede waar, in gebouwen die oorspronkelijk bedoeld waren als suikerfabriek, de eerste schoolhoeve startte. Het model werd in het buitenland zeer geroemd, maar de tucht was militair en repressief. Het personeel bestond vooral uit ex-onderofficieren! Er werd echter ook voor onderwijs en opleiding gezorgd. Zes op de tien jongens en acht op de tien meisjes was bij aankomst compleet analfabeet. Het ging voor een deel ook om zeer jonge kinderen: ongeveer één op drie was nog geen twaalf!
Een complete vorming werd beoogd met sport, gymnastiek, muziek (eigen fanfare). 's Zondags werden ze in het keurslijf van het katholiek ritueel gewrongen. Voor sommigen was misschien enkel dit weggelegd, omdat zij als krankzinnige 'hopeloze gevallen' vanaf 1864 in Ruiselede werden geplaatst!

In 1859 waren reeds 186 ha gecultiveerd, waarvan 20 ha groentetuin en boomgaard. De productie was vooral voor de eigen populatie van jongeren, voor het opvoedend personeel en hun gezinnen en voor Belgische gevangenissen. Maar toch werden ook producten tot op de markt van Brussel verkocht.
Naast de opleiding tot landarbeider werd er vanaf 1910 aandacht ontwikkeld voor andere beroepen: kleermaker, schoenmaker, schrijnwerker, smid... Het perspectief bleef wel heropvoeden ‘tot nuttige burgers en bekwame arbeiders om armoede en bedelarij uit te roeien’. Aanvankelijk had Ruiselede ook een bijzondere aanpassing ten opzichte van Mettray: oudere gasten werden ingeschakeld in de aanpak van de jongeren. Het gemiddeld verblijf was 2 ½ tot 3 jaar en werd betaald door de gemeenten waar de jongeren vandaan kwamen.

Het oorspronkelijk nog coulante regime werd in 1891 bijgesteld toen de hervormingsscholen werden samengevoegd met strafinrichtingen voor jonge misdadigers tot zogenaamde Rijksweldadigheidsscholen. In 1921 wordt dit dan het Rijksheropvoedingsgesticht met uitbreiding naar probleemjongeren. Ondertussen heeft dit instituut al enkele veranderingen ondergaan in de opvatting over aanpak van jeugddelinquentie.

De Zande is een begrip! En het klinkt nog na in menig (Oost- en West) Vlaams oor, dat nagloeit van een nooit vergeten oorvijg: “En gedraag je voortaan of je vliegt naar het verbeteringsgesticht !”.

Publicatiedatum: 19-09-2011
Datum laatste wijziging :18-03-2016
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
  • Vanlandschoot, R. (2008), Sluit ze op ... jongeren in de criminaliteit 1400 tot nu. Leuven: Davidsfonds, hoofdstuk 6, pp. 151-179
Literatuur
  • Vandepitte, P. (red.) (1999), Wreeck geen quaedt, maer dwing tot goed (150 jaar gemeenschapsinstelling bijzondere jeugdbijstand in Ruiselede).  Tielt: Heemkundige kring Roede van Tielt.
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste