Financing Poor Relief trough Charitable Collections in Dutch Towns, c. 1600-1800 Daniëlle Teeuwen
Financing Poor Relief trough Charitable Collections in Dutch Towns, c. 1600-1800


Amsterdam University Press, Amsterdam, 2016
ISBN 978-90-8964-7931
€ 99.00
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
Nederland, in de tijd van de Republiek, had een uitgebreid stelsel van armen- en wezenzorg, waar buitenlandse reizigers bewonderend over schreven. Er waren instellingen die onderstand gaven aan de armen, naast tehuizen waarin men vrijwillig of gedwongen kon worden opgenomen. Hoe werden al deze sociale voorzieningen gefinancierd? Die vraag wordt voor de bijstandsinstellingen in Financing Poor Relief grondig beantwoord, vooral de rol van collectes daarbij.

Armenzorg
Daniëlle Teeuwen concentreert haar onderzoek op vier steden, die zowel qua omvang en sociaal-economische situatie als qua armenzorg-organisatie van elkaar verschilden. In Delft en Zwolle werkten de burgerlijke armbesturen nauw samen met de Gereformeerde Diaconie onder toezicht van het stadsbestuur; later kwamen daar enkele armenzorg-instellingen van andere kerkgemeenschappen bij. In Utrecht konden alle armen eerst alleen terecht bij de Gereformeerde Diaconie, tot de stad in 1628 de Aalmoezenierskamer stichtte, die de niet-gereformeerde armen moest gaan verzorgen. Later stichtten andere kerkgenootschappen, net als in de overige steden, ook eigen armkantoren, maar merkwaardigerwijze vermeldt Teeuwen niet de in 1674 gestichte Katholieke Aalmoezenierskamer, later Rooms Catholieke Armencamer geheten, hoewel de katholieken toch een omvangrijke minderheid vormden. Alleen Den Bosch, waar de grote meerderheid van de bevolking ’het oude geloof trouw was gebleven’, behield de middeleeuwse organisatie van de armenzorg. Naast de hervormde diaconie en het Geefhuis van de stad was de stad verdeeld in negen wijken, de Negen Blokken, die los van stedelijke en kerkelijke bemoeienis de armenzorg voor hun rekening namen.

De bijstandsinstellingen hadden verschillende inkomsten. Teeuwen biedt een lange-termijn-analyse van de financieringsbronnen over een periode van twee eeuwen, op basis van doorgaans overvloedig archief-materiaal. Achtereenvolgens komen aan de orde collectes en offerblokken, testamentaire en andere schenkingen, inkomsten uit kapitaal en onroerend goed en subsidies van de stedelijke overheid, terwijl ook nog loterijen worden genoemd. Het aandeel van deze inkomstenbronnen in de financiering van de armenzorg is noch bij alle instellingen, noch in alle periodes gelijk. Teeuwen vermeldt, dat na de Reformatie de oude katholieke fondsen ’soms, ten dele’ (p 51) aan de armenzorg-instellingen waren gegeven, maar dat doorgaans het inkomen uit kapitaal en onroerend goed aanvankelijk van verwaarloosbaar belang was. Zij vraagt zich jammer genoeg niet af, wat er met de omvangrijke middeleeuwse fondsen was gebeurd. Zo bedroeg in een stad als Utrecht het vermogen van de katholieke armenfondsen ruim 70.000 gulden, voor die tijd een enorm bedrag. Waar was al dat geld gebleven?

Collectes
Het centrale deel van het boek handelt over collectes; over de organisatie ervan, de strategieën om het geven te bevorderen en de al dan niet gulle gevers. Allereerst waren er de reguliere collectes tijdens de kerkdiensten. In de gereformeerde kerken kon dat per week wel zes keer gebeuren. Over de katholieke kerken krijgen we geen informatie. Daarnaast waren er de bijzondere collectes tijdens de Avondmaalsvieringen en op Christelijke feestdagen. Dan waren er de collectes langs de deur, zowel de reguliere als eenmalige voor speciale doelen zoals vervolgde protestanten elders in Europa. En tenslotte stonden op allerlei plaatsen, in de kerken, in de instellingen, in de straten en in café ’s offerblokken. De niet-gereformeerde kerkgemeenschappen waren beperkt in hun mogelijkheden. Zo mochten de katholieken vanaf 1622 (Resolutie van de Staten Generaal) zonder toestemming van het Provinciaal Bestuur niet langs de huizen collecteren voor katholieke organisaties in de Republiek, laat staan daarbuiten.

Heel interessant vond ik de hoofdstukken over The rhetoric of giving (hst. 5) en over Donating to collections (hst. 6). Wereldlijke en kerkelijke overheden benadrukten, dat geven aan de armen een burgerlijke en christelijke plicht was. De religieuze argumenten vind ik wel verrassend. Het calvinisme hield immers een totale breuk in met de katholieke leer van de goede werken, maar in de praktijk bleek hier geen verschil tussen protestanten en katholieken. Allemaal preekten zij, dat geven aan de armen in het hiernamaals beloond zou worden en het niet geven bestraft. Zo werden de Utrechtse gereformeerden opgeroepen ’haer harten ende handen met medelyden jegens den armen te willen openen, (…) ’t welck Godt almachtig duysentvout sal vergelden’. Voor de katholieken verwijst Teeuwen gemakshalve naar onderzoek in Vlaanderen, maar het was juist interessant geweest om te zien of de in verdrukking geraakt Nederlandse katholieken ook nog eigen argumenten voor hun armenzorg aanvoerden.

Voorkeur ‘eigen‘ armen
En de gevers? Die blijven in de bronnen onzichtbaar. Maar Teeuwen heeft op ingenieuze wijze toch belangrijke gegevens boven tafel gekregen. Zij doet dat bijvoorbeeld door voor de Zwolse Stads Armen Kamer over een aantal jaren het soort munten te tellen dat bij collectes gegeven werd, van kostbare zware zilveren munten tot simpele duiten, de ene soort van rijken afkomstig en de andere van de minder welgestelden. Men gaf bij voorkeur alleen aan de ’eigen’ armen. In Den Bosch bijvoorbeeld gaven de katholieken geen geld voor het stedelijk Burger Weeshuis, maar wel voor het in 1779 gestichte tehuis voor katholieke wezen.

Daniëlle Teeuwen heeft grondig onderzoek gedaan, met name naar de betekenis van collectes in de financiering van bijstandsinstellingen. Ik heb ook wel kritiek op het boek. Om met een kleinigheid te beginnen: het hoofdstuk over het organiseren van collectes opent met de brand van Hilversum in 1766. Maar Hilversum was geen ’stad’. Het was een van de dorpen van Stad en Lande van Gooiland met Naarden als de enige stad. Een zwaarder punt van kritiek betreft de al meermalen gesignaleerde onderbelichting van de katholieke armenzorg. Het boek is in het Engels geschreven, zoals tegenwoordig de mode is aan de Nederlandse Universiteiten en het verbaast me niet, dat in de literatuurlijst Franse en Duitse studies over de vroeg-moderne armenzorg totaal ontbreken, ook heel belangrijke.

Schokkende motivering
Wat mij echt schokte was de motivering van het onderzoek. In de Introduction wordt In een paar regels het terugdringen van de zogeheten verzorgingsstaat in de laatste jaren geschetst. Teeuwen noemt het dan ’interessant’ daarbij te onderzoeken, hoe er in voorbije samenlevingen voor de armen en behoeftigen is gezorgd en welke rol liefdadigheid en de stedelijke overheden daarbij speelden. Historisch onderzoek om aanvechtbare hedendaagse sociale politiek te ondersteunen? In het slothoofdstuk concludeert ze, dat de rol van de ’civil society’ bij het verschaffen van sociale zorg ook nu heel groot kan zijn, mits daarvoor een lokaal institutioneel kader beschikbaar is. Mmmmmm! Voor zo’n conclusie had ze ook moeten onderzoeken, hoe die sociale zorg voor de bedeelden toen dan wel uitpakte. Desniettemin (ik had bijna geschreven ’however’, een woord dat bij de auteur voortdurend terugkeert) heeft Daniëlle Teeuwen een heel belangrijke, nieuwe, bijdrage geleverd aan de toch al niet geringe stroom oudere en recente studies over de vroegere armenzorg in Nederland.

Henk Michielse

Beoordeling
Historische relevantie
● ● ● ● ●
Relevantie sociaal werk
● ● ● ● ○
Leesbaarheid
● ● ● ● ○
(mits je goed Engels kent)
Illustraties
● ○ ○ ○ ○


eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste