De Volkshogeschool in Nederland Maarten van der Linde en Johan Frieswijk
De Volkshogeschool in Nederland
1925-2010

Uitgeverij Verloren , Hilversum, 2013
ISBN 9789087043827
€ 39.00
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
Tussen 1980 en 1990 volgden nog 300 duizend Nederlanders een cursus bij een volkshogeschool, maar inmiddels weten de meeste mensen onder de vijftig niet meer wat dat was. Volkshogescholen, beste vijftig-minners, waren gebouwen waar je als werkloze, gezinsverzorgster, ondernemingsraadslid of hoe dan ook bij deskundige en toegewijde docenten cursussen kon volgen op achtereenvolgende dagen (soms zelfs weken) zodat je er ook overnachtte. Ze zijn in de jaren dertig ontstaan naar Deens voorbeeld en ze hebben een onschatbare rol gespeeld in wat wel ‘volksontwikkeling’ werd genoemd. De eerste stond in (Allardsoog) stond in het toenmalige ontwikkelingsgebied Drenthe en Friesland. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er meer, verspreid over het land. Ze waren onderdeel van een heuse beweging, die ontwikkeling van de volksgemeenschap of burgerschap op het oog had, maar het was er meestal ook erg gezellig. Decennia lang wisten ze zich prima aan te passen aan de veranderende eisen van de tijd, met name toen in de jaren vijftig en zestig ‘éducation permanente’ (levenslang leren) overheidsbeleid werd. De staat ging ze steeds ruimer financieren en dat werd ze vanaf de jaren tachtig fataal: in de loop van de afgelopen decennia verdwenen ze of werden ze commerciële conferentieoorden – op ééntje na: de Folkshegeskoalle Schylgeralân op Terschelling, die structurele overheidssubsidie altijd heeft afgewezen.

Maarten van der Linde en Johan Frieswijk hebben een mooie klus geklaard door die geschiedenis uitgebreid te boekstaven, op verzoek van de resten van die eens zo trotse beweging. ‘De Volkshogeschool in Nederland, 1925-2010’ is met zijn 550 pagina’s een lijvig boekwerk geworden. Op het eerste oog lijkt die geschiedenis vooral een feest van herkenning voor allen die bij het volkshogeschoolwerk betrokken waren. Er is uitgebreid aandacht voor het type cursussen, voor de behuizing, voor de doelgroepen, voor de verplichte corvee (doordacht onderdeel van het concept), voor het idealisme van de docenten (die het in de eerste jaren voor niet meer dan kost en inwoning deden) en voor de uiteenlopende (nu niet helemaal meer te snappen) koersen die volkshogescholen in de loop van de tijd gingen varen: van groepsdynamica tot maatschappij¬kritiek. O ja, en namen van voormannen en een paar voorvrouwen – heel veel namen. Interessant voor wie het heeft meegemaakt, maar ach…
Wie echter goed kijkt, heeft met het boek een prachtige casus in handen van geschiedschrijving van de 20ste eeuw. Hoe een groep idealisten de na-ijlende sociale quaestie voortvarend ter hand nam op een manier die vele Nederlanders in rotomstandigheden een heel stuk verder heeft geholpen. Die in een tijd van verzuiling ‘algemeen’ bleef en altijd opbouwend kritisch. En die na de omhelzing door de overheid amechtig achterbleef.
En nu, beste vijftig-minners? Van der Linde en Frieswijk hopen op een revival. Net als toen, zo stellen ze, is er op dit moment groeiende interesse voor dragende en verbindende waarden en voor het terugveroveren van de civil society. En dus zo stellen ze: ‘Wie dit boek gelezen heeft, zal wellicht denken: het is weer tijd voor de volkshogeschool.’

Auteur: Nico de Boer

Deze recensie verscheen ook in Tijdschrift sociale vraagstukken, nr. 4/2013.

Beoordeling redactie:

eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste