Met biddend hart Marie-Antoinette Willemsen
Met biddend hart
Geschiedenis van de franciscanessen van Mariadal

Verloren, Hilversum, 2020
ISBN 9789087048631
€ 39.00
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
Voor de ontwikkeling van onderwijs, gezondheidszorg en sociaal werk binnen de katholieke zuil zijn de religieuze orden en congregaties in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw van grote betekenis geweest. (Zie: 1846 Het Sint Aloysiusgesticht.) Zeker voor niet-katholieken is deze wereld van orden en congregaties een onbekend en onoverzichtelijk universum. Maar ook katholieken willen daarin nog wel eens verdwalen. Neem nu bij voorbeeld de volgelingen van Franciscus en Clara van Assisi. Ze laten zich allemaal door Franciscus (1182-1226) inspireren, maar leggen daarbij verschillende accenten. In Franciscus’ eigen leven en denken is een spanningsveld te constateren tussen beschouwing en dienst aan de naaste, tussen contemplatie en actie. Die spanning kom je ook bij zijn volgelingen tegen.
De eerste orde betreft mannelijke religieuzen (minderbroeders) met een eigen regel met 3 takken: Franciscanen, Conventuelen, Kapucijnen.
De tweede orde bestaat uit vrouwelijke religieuzen die gekozen hebben voor een contemplatief leven in een slotklooster: Clarissen.
De derde orde is een bont geheel van nieuwe religieuze gemeenschappen maar ook lekenbewegingen die volgens het franciscaans ideeëngoed leven. Deze derde orde werd in 1289 door Paus Nicolaas IV georganiseerd: enerzijds de seculiere derde orde FLO (Franciscaanse lekenorde) en anderzijds de reguliere derde orde met een groot aantal vrouwelijke congregaties. Alleen al in Nederland gaat het om meer dan 20 congregaties, die om ze van elkaar te kunnen onderscheiden meestal genoemd worden naar de naam of plaats van het moederhuis.

Opbouw boek
In ‘Met biddend hart’ beschrijft Marie-Antoinette Willemsen de geschiedenis van een van deze congregaties, de franciscanessen van Mariadal. Het boek bestaat uit zes hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk geeft de voorgeschiedenis weer met een korte schets van de Franciscaanse beweging en de reform van Limburg (zie onder). Het tweede hoofdstuk beschrijft het leven van de stichteres en de eerste periode van de congregatie. In de drie hoofdstukken daarna wordt in tijdvakken van vijftig jaar de verdere ontwikkeling, bloei en neergang van de congregatie beschreven. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de activiteiten in de missiegebieden, Curaçao, Suriname en Chili, terwijl de congregatie in de negentiende eeuw ook enige decennialang vestigingen in Engeland had.

Franciscanessen van Mariadal
Voor de Canon Sociaal Werk is de geschiedenis van die andere Roosendaalse congregatie, de franciscanessen van Charitas, van directer belang, omdat die zich richtte op de zorg. De franciscanessen van Mariadal staan vooral bekend als onderwijscongregatie, maar zij hebben zich, zoals zal blijken, ook bezig gehouden met andere maatschappelijke terreinen als zij daarvoor gevraagd werden of daar noden constateerden. De officiële naam van de franciscanessen van Mariadal luidt ‘zusters penitenten recollectinen van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria’. Daarmee scharen zij zich in een bepaalde traditie binnen de derde orde, die teruggaat tot Moeder Johanna van Jezus uit Gent (Johanna Baptista Neerinck, 1576 – 1648) die de zogeheten ‘Reform van Limburg’ op gang had gebracht. In deze traditie krijgen boetedoening (penitentie) en gebed (recollectie) extra aandacht. Veel congregaties in deze traditie richtten zich op het onderwijs, omdat een beschouwend leven in een slotklooster goed gecombineerd kon worden met een kostschool voor meisjes en jonge vrouwen. Je hoefde dan zo min mogelijk naar buiten en had een belangrijke bron van inkomsten. De eigenlijke stichteres van de congregatie is Mère Marie Joseph Raaijmakers (1781-1867). Zij was in 1800 ingetreden bij de franciscanessen van Dongen en was in 1820 met een nieuwe stichting gestart in Etten. Ze had ook zelf een onderwijsacte gehaald om een kostschool te kunnen leiden. Hoewel Nederland in deze tijd al wel weer vrijheid van godsdienst kende, was koning Willem I geen voorstander van het religieuze leven. Er golden allerlei beperkingen, zoals een maximum van 20 leden voor een klooster en een verbod op het dragen van religieuze kledij in de openbare ruimte.
Rond 1830 werden de franciscanessen van Etten benaderd door de pastoor van Roosendaal, of zij niet een borduurschool in Roosendaal konden overnemen en daarna een burger- en armenschool konden oprichten. Er is zelfs nog even sprake geweest van de oprichting van een weeshuis, als het armenbestuur daarvoor zou betalen, maar de financiële basis daarvoor bleek te smal. Mère Joseph ging zelf naar Roosendaal, en stichtte daar een school en communiteit, samen met vier andere zusters. Dat was de start van de nieuwe congregatie. De spiritualiteit daarvan stoelde op vier pijlers, waarin de invloed van de Reform van Limburg goed is te herkennen: het beoefenen van de onderlinge liefde, het leven in ware evangelische eenvoudigheid, een vlijtige werkzaamheid en een ware onthechting, waarbij dit alles gedragen werd door het persoonlijke en gezamenlijke gebed. De zusters moesten zich toeleggen op het ontwikkelen van ‘een biddend hart’.
De congregatie volgde in het begin de zeven gebedsgetijden van een slotklooster, maar dat bleek niet praktisch te zijn voor religieuzen, die ook een actieve taak hadden zoals het geven van onderwijs. Het leidde al snel tot oververmoeidheid, zodat besloten werd de nachtelijke gebeden op een ander moment van de dag in te halen. Enige realiteitszin in de combinatie van een beschouwend én actief leven, kon Mère Joseph niet ontzegd worden.

Uitbreiding
Onder koning Willem II kwam een versoepeling tot stand, zowel met betrekking tot het religieuze leven als het katholieke onderwijs. Dat leidde tot de uitbreiding van de congregatie, vooral naar het noorden. Zo kwamen er al snel vestigingen in Rotterdam, Woerden en Den Haag. In 1842 vertrokken zelfs enkele leden als eerste vrouwelijke religieuzen naar een missiegebied (Curaçao).
Mère Joseph beschouwde elk nieuw verzoek om werk en daarmee het stichten van een nieuw huis als komend van de ‘Goddelijke Voorzienigheid’. Maar er speelden ook andere motieven mee. In de periode tussen 1840 en 1870 kwam de emancipatie van het katholieke volksdeel goed op gang en was er grote behoefte aan onderwijs. Zoals Mgr. Zwijsen vanuit zijn bisdom Den Bosch de sociale vooruitgang stimuleerde met de door hem gestichte congregatie van de Zusters van Liefde, zo zag de Bredase bisschop Van Hooydonk, waartoe Roosendaal behoorde, in de franciscanessen van Mariadal een belangrijk instrument. En een nieuwe vestiging betekende vaak ook een nieuwe plek om geld te werven en nieuwe zusters. Een school of pensionaat was een uitgelezen plek om meisjes en jonge vrouwen kennis te laten maken met de congregatie. Dat leidde geregeld tot nieuwe toetredingen, wat ook noodzakelijk was om uit te kunnen breiden.
In de 35 jaar tussen de start van het huis in Roosendaal en het overlijden van Mère Joseph groeide de congregatie van een huis van vijf zusters naar een congregatie van 390 zusters in 17 huizen. Die expansie zou zich verder voortzetten. In 1932, rond het eeuwfeest, telde de congregatie 1220 leden in Nederland en 225 in de missie. In totaal hadden de franciscanessen toen 49 locaties. Ze gaven onderwijs aan 26.000 kinderen in verschillende vormen van onderwijs en verpleegden 2300 zieken en ouderen.

Motieven voor het actieve religieuze leven
Willemsen noemt een aantal motieven waarom jonge vrouwen in de negentiende en begin twintigste eeuw kozen voor het actieve religieuze leven (p. 107 e.v.). Godsdienstige motieven speelden zeker een rol om vanuit een persoonlijk verlangen een aan God gewijd leven te willen leiden en zich voor anderen in te willen zetten. Maar het bood ook een alternatief naast het huwelijk. Een leven als kloosterlinge gaf de mogelijkheid je te ontwikkelen en je verdere leven zinvol maatschappelijk actief te blijven in een tijd dat voor getrouwde vrouwen daarvoor weinig mogelijkheden bestonden. Pas aan het eind van de negentiende eeuw zou het sociaal werk opkomen. Bovendien bood in katholieke kring het religieuze bestaan sociaal aanzien.
Overigens was er meestal geen sprake van een bewuste keuze voor een bepaalde leefregel of spiritualiteit. Die ontdekten de jonge vrouwen pas tijdens hun eerste jaren in het betreffende klooster. Zij kozen meestal voor een bepaald klooster, omdat zij daar zusters kenden of er op school waren geweest.
Al vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw liep de toeloop van nieuwe zusters terug en werd het moeilijker om het werk van de ouder wordende zusters over te nemen. In 1958 telde de congregatie nog zo’n 950 leden, zes jaar later 885.

Sociaal werk
Waren de zusters van Mariadal vooral gericht op het geven van onderwijs, toch zetten zij zich ook in op andere gebieden. Zo vroeg de vermogende apostolisch vicaris Mgr. Van Wijckerslooth al in 1851 – Nederland kende op dat moment nog geen bisschoppen – of de zusters zouden willen komen werken in een liefdadigheidsinstelling op zijn landgoed Duinzigt in Oegstgeest “om daarin op te nemen arme minderjarige, ouderloze meisjes, oude of gebrekkige vrouwen, zoo mede verwaarloosde ongelukkige kinderen, die door de Roomsch Katholieke Armbesturen uit de gemeente Oegstgeest, Katwijk, Warmond en Wassenaar zullen worden aangeboden” (uit de stichtingsactie, geciteerd op p. 133). Dat hij voordien een royale gift had gedaan aan de congregatie, zal de positieve reactie van Mère Joseph wel bevorderd hebben. Ook elders startten de zusters weeshuizen (b.v. Groenlo 1846, Breda 1850 ‘Liefdegesticht’, Hulst 1853, Den Haag), die soms ook fungeerden als opvang voor oude en behoeftige vrouwen.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er ook verzoeken om in de kleinere plaatsen kleine ziekenhuizen op te richten of wijkverpleging te starten. De wijkverpleegsters werden ingezet als hulp in de huishouding en de opvoeding van kinderen en als religieuze steun en toeverlaat voor alle gezinsleden. Eigenlijk was de wijkverpleging een wat vreemde taak voor zusters, die geacht werden in een slotklooster te leven en niet over straat te gaan (in Roosendaal werden daarom twee grote tehuizen met daartussen een straat verbonden door een tunnel…). Maar nood breekt wet, de wijkzusters kregen daarom dispensatie. In 1926 begon de congregatie ook met een eigen ziekenhuis en verzorgingshuis St. Elisabeth voor de ouder wordende zusters uit het hele land. Eind jaren zeventig werd het een kloosterbejaardenoord. Sinds 2000 staat het ook open voor andere mensen. Na een grote verbouwing bestaat het nog steeds als woonzorgcentrum St. Elisabeth.
Na de beslechting van de schoolstrijd werden de katholieke scholen, en daarmee ook de zusters als leerkrachten, bezoldigd door de overheid. Dat betekende een uitbreiding van de financiële mogelijkheden. De congregatie ging inspelen op nieuwe noden, zoals de opvang van kinderen met een geestelijke of fysieke beperking. De Zusters van de Choorstraat (Dochters van Maria en Joseph) was de eerste congregatie die in 1924 in Udenhout een internaat voor zwakzinnige meisjes begon. Maar ook de franciscanessen van Mariadal waren er snel bij en stichtten in hetzelfde decennium scholen en internaten voor zwakzinnige kinderen in Breda, Bergen op Zoom, Roosendaal en Hulst.
Bij de terugloop van de congregatie werden veel scholen en instellingen in de jaren vijftig en zestig overgedragen aan zelfstandige stichtingen. Dat gold ook voor de wijkverpleging (Wit Gele kruiswerk) en het patronaatswerk.
Toen de zusters zich terugtrokken uit onderwijs en zorg, zochten velen een andere invulling. Onder het motto “daarheen gaan waar onze hulp nodig is’ werden zij actief in allerlei vormen van vrijwilligerswerk, van taallessen onder gastarbeiders tot bezoek aan gevangenen, van opvang van vluchtelingen tot een gezinsvervangend tehuis. Anderen richtten zich meer op de beschouwende kant en gingen veel meer aandacht besteden aan gebed en meditatie. Tegenwoordig is er nog een kleine groep over van hoogbejaarde vrouwen, die allemaal wonen in een deel van St. Elisabeth.

Beoordeling
Marie-Antoinette Willemsen heeft een omvangrijke geschiedenis geschreven van de franciscanessen van Mariadal op basis van veel archiefmateriaal en interviews met nog levende zusters. Het boek geeft veel inzicht in de organisatie en activiteiten van deze congregatie in de 190 jaar van haar bestaan en laat de lezer kennis maken met een leefwijze, die door de maatschappelijke ontwikkelingen vrijwel is verdwenen. Zoals zovele andere vrouwelijke religieuzen zetten deze vrouwen zich belangeloos in voor de opvoeding en verzorging van arme en kwetsbare mensen en hebben zo mede aan de wieg gestaan van talrijke instellingen voor onderwijs en sociaal werk. De congregatie was vooral een onderwijscongregatie, de initiatieven op het gebied van het sociaal werk waren bijzaak en komen vaak maar zijdelings aan de orde. Dat is de reden voor de lage beoordeling. Wie voor het eerst kennis wil maken met de belangrijke rol van vrouwelijke religieuzen voor de ontwikkeling van sociaal werk, raad ik een al wat ouder werk van Annelies van Heijst aan, ‘Liefdewerk. Een herwaardering van de caritas bij de Arme Zusters van het Goddelijk Kind sinds 1852 (Verloren, 2003). Maar wie in zijn algemeenheid geïnteresseerd is in het werk van een actieve zustercongregatie, kan zijn hart ophalen in het boek van Willemsen. En het uitvoerige notenapparaat wijst ook de weg naar andere literatuur.

Jan Maasen



Beoordeling redactie:
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste