Jan Foudraine Alex Rutten
Jan Foudraine
Psychotherapeut, onderzoeker, schrijver

Ambo/Anthos, Amsterdam, 2021
ISBN 978 90 263 4984 3
€ 26.99
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
In de jaren ’70 van de vorige eeuw liep vrijwel iedere hulpverlener met een exemplaar van Wie is van hout. .. Een gang door de psychiatrie het meest bekende boek van Jan Foudraine, op zak. Het boek kende een ongekende oplage - 200.000 exemplaren zouden ervan worden verkocht. In mei 1972 komt het honderdduizendste exemplaar uit, in een houten omslag en cassette. Het Werktheater maakt een toneelstuk en het boek wordt vertaald in het Deens, Duits, Engels, Fins, Frans, Italiaans en Spaans. Het boek wordt het boegbeeld van de antipsychiatrie en wordt beschouwd als een canonieke sleuteltekst uit de cultuurgeschiedenis van de Lage Landen. In de biografie plaatst Alex Rutten de psychiatrie in een veel breder cultuur-en maatschappelijk verband: de kritische bewegingen van die tijd, de studentenbeweging, De Dolle Mina’s.

Afzetten tegen gevestigde psychiatrie
Het hoofdmotto van Wie is van hout. . . ontleent Foudraine aan Harry Stack Sullivan. Diens standpunten over interpersoonlijke therapie en de mens als een gemeenschapswezen droegen bij aan een belangrijke paradigmaverandering in het interbellum. “In algemene zin zijn we allemaal op de eerste plaats simpelweg mens, of we nu gelukkig en geslaagd, tevreden of ellendig en psychisch gestoord.” In zijn voorwoord geeft Foudraine aan wat hij wil met dit boek. Hij heeft zich verdiept in de problemen van de mensen die het etiket schizofreen dragen. Daarbij kiest hij nadrukkelijk voor het woord verdiept, want hij heeft hen ontmoet en niet bekeken of onderzocht. Hiermee zet hij zich af tegen de gevestigde psychiatrie, die de nadruk vooral legde op het anders zijn, alsof de psychotische mens kwalitatief anders was en aan een ‘ziekte’ leed. Vanuit dit idee probeert hij ook veranderingen aan te brengen in de psychiatrische inrichtingen waar hij zal gaan werken en waarvan hij vindt dat ze therapeutische gemeenschappen moeten worden.
Het is de grote verdienste van Alex Rutten dat hij in een mooi en toegankelijk geschreven biografie laat zien hoe Foudraine gedurende zijn hele leven zowel grote scharen bewonderaars heeft als tegenstanders die niets van hem moeten hebben door zijn onverzettelijkheid en de zendingsdrang die hem kenmerkt. Zelf zegt Foudraine daarover dat hij een gedreven man is die heel graag wil dat het gaat zoals hij denkt dat het goed is. “Ik duld eigenlijk niet dat mensen er anders over denken. Dat is niet goed, maar zo zit ik in elkaar.”

Afkomst
Prettig is ook de manier waarop de biografie is opgezet. We hoeven ons als lezers niet eerst bladzijden lang door de beschrijving van zijn voorouders heen te worstelen, maar Rutten weeft deze in waar dat relevant is. Zo beschrijft hij het verdriet dat Foudraine voelde bij het leven van zijn moeder en verbindt dat met de oprichting van de Browndalehuizen, gebaseerd op de methode van de kindertherapeut John Brown. De stichting richt zich op ernstig emotioneel gestoorde kinderen en wil dat doen door een ‘gewone’ leefsituatie te creëren midden in de maatschappij. Foudraine is er vast van overtuigd dat de jeugdjaren van kinderen en de relatie tot de ouders cruciaal zijn voor het (psychische) welzijn van kinderen. Dat heeft hij ook zo in zijn eigen leven ervaren, door het verdriet van zijn moeder, maar hij werd ook gepest en kreeg van zijn ouders te weinig aandacht voor wat hem echt bezig hield.
Van zijn grootvader kreeg hij zijn arbeidsethos mee. Foudraine is opgegroeid met de gedachte dat een mens altijd aan het werk moet zijn: “Zorg ervoor dat je werkt,” de laatste woorden van zijn grootvader, Johannes Foudraine (1868-1942), die hij gedurende zijn hele leven aanbeden heeft. Opa werd de ‘Napoleon van de Amsterdamse haven’ genoemd: een man van staal. Zijn vader daarentegen is de man van twaalf ambachten en dertien ongelukken, absoluut geen goed rolmodel voor Jan. Jan was de eerste uit de familie die naar de universiteit ging omdat hij al heel jong wist dat hij dokter wilde worden.

Opleiding
Hij studeert medicijnen in Leiden, wordt lid van het corps, waar hij zich niet echt gelukkig voelt, maar als hij lid wordt van het studententoneel blijkt dat een gouden greep. Hij wordt zelfs aangemoedigd om daar beroepsmatig in verder te gaan. Tijdens zijn specialisatie in Endegeest, Oegstgeest, ziet hij in de inrichting een groot verlies aan menselijke waardigheid maar hij komt op het spoor van John Rosen, een Amerikaanse psychiater, die zich zeer enthousiast betoont voor de methode van de psychoanalytische psychotherapie, een methode die Foudraine zijn hele leven enthousiast zal beoefenen en propageren. Zijn volgende leerperiode is in de Jelgersmakliniek, eveneens in Oegstgeest, waar ook elektroshocks worden uitgevoerd en psychofarmaca voorgeschreven, maar psychotherapie staat er centraal. Van zijn leermeester, de beroemde dokter E.A.D.E. Carp die vanaf 1930 hoogleraar is Leiden was, heeft hij veel geleerd, met zijn aandacht voor filosofie en voor de complexiteit van de mens, maar ook vanwege zijn aandacht voor psychodrama. In die tijd heeft hij twee jaar lang een vriendin met wie het uiteindelijk niets wordt. Hij heeft ook contact met Ramses Shaffy die hem vraagt om voor een plaatopname auditie te doen, wat Foudraine doet waarna hij een contract aangeboden krijgt, maar zijn hart ligt toch helemaal bij de psychiatrie, zodat hij niet ingaat op het aanbod.
Na ook nog een assistentschap neurologie in Amsterdam heeft hij een duidelijke visie ontwikkeld op wat hij wel en wat hij niet wil in de omgang met zijn patiënten: hij wil geen elektroshocks toepassen en spaarzaam medicatie voorschrijven.

Verblijf in Amerika
Na de afronding van zijn studie werkt hij een aantal jaren in Amerika, in Chestnut Lodge, een beroemde psychiatrische privékliniek, gespecialiseerd in een psychoanalytische benadering van psychotische patiënten. Maar ook daar, hoewel dat wel zo gepropageerd wordt, ziet hij niet een echt therapeutisch milieu. Hij probeert veranderingen aan te brengen en leert hoe belangrijk het is om verpleegkundigen te betrekken bij het vormen van een therapeutische gemeenschap.
In diezelfde tijd wordt veel wat altijd als vaststaand is aangenomen ter discussie gesteld, in Amerika en elders, en wordt ook de psychiatrie in zijn klassieke vorm fel aangevallen. Foudraine kan zich helemaal vinden in de opvattingen van Thomas Stasz, het boegbeeld van de antipsychiatrie, die ervoor pleit om een psychiatrische ziekte als een vorm van aangeleerd gedrag te benoemen.. Tijdens die periode op Chestnut Lodge heeft hij een leeranalyse waar hij veel baat bij heeft. Hij leert er ook een vrouw kennen met wie hij, terug in Nederland, een huwelijk sluit.

Wie is van hout….
De ervaringen, opgedaan in Chestnut Lodge waar hij vooral geprobeerd heeft om in zijn hoedanigheid als beleidspsychiater de organisatie te veranderen en zijn psychotherapeutische ervaringen met de schizofrene patiënten Walter en Jaap doen hem besluiten deze te beschrijven, naast de vele literatuur die hij erover gelezen heeft. Dat wordt de bestseller Wie is van hout. . ..
De titel is ontleend aan een demonstratiepatiënt, die door de desbetreffende psychiater wordt ‘getoond’, ‘gedemonstreerd‘ aan een aantal coassistenten die er hun diagnose op los moeten laten, na aan de patiënt een aantal vragen daartoe gesteld te hebben. Een van de patiënten roept bij zo’n sessie uit: ‘ik ben van hout, ik ben van hout’ wat aan Foudraine de verzuchting ontlokt wie er nu werkelijk van hout is, de psychiater met deze handelwijze of de patiënt.
Dit is voor Foudraine de rode draad die door het hele boek heenloopt: hij verzet zich tegen de medicalisering van de patiënt, en tegen zijn vakgenoten die vinden dat er vooral gezocht moet worden naar een lichamelijke oorzaak van de psychiatrische ziekte. En, dat als maar goed genoeg gezocht wordt, die oorzaak ook uiteindelijk wel gevonden zal worden. In het boek beschrijft hij ernstig schizofrene vrouwen, soms al sinds tientallen jaren, opgenomen in de afdeling Upper Cottage, en die ook al vele jaren psychotherapie achter de rug hebben. Heel indringend en duidelijk beschrijft Foudraine hoeveel angst en weerstand de veranderingen te weeg brengen, niet alleen bij de patiënten, maar zeker ook bij het verplegend personeel. Maar hij beschrijft ook de opmerkelijke veranderingen en verbeteringen, als zowel patiënten als verplegend personeel geleerd wordt een andere rol aan te nemen, wat weliswaar gepaard gaat met heel veel weerstand, maar op de duur, naast de vele uren psychotherapie voor de patiënten, verbetering oplevert.

Terug in Nederland
Arendsen Hein, geneesheer-directeur van Veluweland, vraagt hem, terug in Nederland, chef de clinique te willen worden in Veluweland, een plaats van experiment en vernieuwing. Veluweland werd opgericht als een therapeutische gemeenschap, maar heeft op dat moment wel een heel dringende behoefte aan reorganisatie, onder andere omdat er alleen zelfbetalende patiënten kunnen worden opgenomen. Foudraine krijgt er ook een prachtig huis aangeboden en nu kan hij zijn bruid laten overkomen met wie hij op 6 mei 1966 trouwt, een huwelijk dat slechts enkele weken standhoudt. Zowel Foudraine als zijn ex-vrouw zullen er gedurende hun hele leven niets over zeggen.
Ook in Veluweland ervaart Foudraine dezelfde problemen zoals deze speelden in Chestnut Lodge bij vooral de oudere verpleegkundigen die het nieuwe regime moeilijk vinden. Er ontstaan spanningen. Over hem wordt gezegd: “Hij wist het altijd zo te keren dat mensen de pest aan hem kregen, hoeveel bewondering ze ook voor hem hadden.” Ook omdat hij mordicus tegen het toepassen van elektroshocks is en tegen het gebruik van LSD wat beide op Veluweland, hoewel zeer spaarzaam, wordt toegepast. Eind 1976 vertrekt hij er.
Hij begint in Amsterdam een eigen privépraktijk, sluit zich aan bij een groep psychiaters en helpt mee aan de opzet van een avond- en nachtkliniek De Sluis, een instituut dat actief een (re)integratie van patiënten in de maatschappij wil bevorderen. Voor Foudraine is het belangrijk het gevoel ergens bij te horen en zo hoopt hij in Maastricht in de nieuwe opgerichte medische faculteit een kans te maken. Na een jaar houdt hij het echter voor gezien waarna hij contact krijgt met de in die tijd spraakmakende waarnemend geneesheer -directeur van Vogelenzang, Frank van Ree, die probeert een van oudsher christelijk instituut te democratiseren. Maar in Vogelenzang raakt hij helemaal opgebrand en in de winter van 1976 komt hij in de ziektewet terecht.

Oosterse filosofieën
Na zijn werdegang door de psychiatrische instituten en de vraag wie hij nu eigenlijk is en waarvoor hij leeft, keert hij zich nu tot de Oosterse filosofieën, te beginnen bij de Indiase goeroe Bhagwan Shree Rajneesh, later Osho, die in 1974 in Poona, India, samen met zijn discipelen een ashram opzet, een leefgemeenschap. Zijn boodschap is dat de mens vastzit in zijn ego en totaal geconditioneerd is door ouders, de maatschappij en onderwijs. Foudraine overweegt naar Poona te gaan maar hij wordt opnieuw gevraagd te werken voor de Stichting Browndale. Maar ook het werken voor deze stichting loopt op niets uit omdat hij heel andere dingen geacht wordt te doen dan hij zelf wil. Hij weet dat hij nu een heel nieuwe en andere weg moet inslaan. Hij wil Pessotherapeut Al Pesso leren kennen, die hem heeft uitgenodigd voor therapie en een baan. Foudraine verkoopt zijn huis, geeft al zijn boeken weg en gaat naar Amerika, maar onderweg in het vliegtuig ziet hij al dat dit niet is wat hij echt wil. Hij vliegt linea recta door naar Poona, waar hij in 1978 een van de ongeveer 25.000 mensen is die jaarlijks naar de ashram komen.

Swami Deva Amrito
Op 11 augustus 1978 krijgt hij een nieuwe naam: Swami Deva Amrito en wordt hij gewijd tot sannyasin. Terug in Nederland schrijft hij op verzoek van de Bhagwan over zijn ervaringen in Poona: Oorspronkelijk gezicht: een gang naar huis dat in 1979 uitkomt, waarvan binnen de eerste maand al 30.000 exemplaren worden verkocht. En ook hier weer hetzelfde patroon: het zorgt voor veel Poonagangers, maar het roept ook veel aversie op en vooral in de pers krijgt hij veel kritiek. Er wordt zelfs een onderzoek ingesteld door de Nederlandse overheid of de Bhagwanbeweging en andere sekten niet een gevaar voor de volksgezondheid zijn. Vanaf zijn terugkeer deelt hij zijn leven met Marijke Kranenburg die hij in 1976 via een gezamenlijke vriendin heeft leren kennen en die in juli 1979 eveneens gewijd wordt als sannyasin. Zij trouwen in 1993, en werken veel samen.
Foudraine is ook erg onder de indruk van Krishnamurti. Na een derde verblijf in de ahsram, krijgt hij opnieuw een opdracht, die moet gaan over Meester Bhagwan en de antimeester Krishanamurti. Foudraine is niet alleen een gedreven zendeling, hij kent ook een gevoel van grote urgentie waarmee hij de wereldvisie van Bhagwan volgt die meent dat we op een keerpunt staan en dat het einde van deze eeuw getuige zal zijn van ofwel de volledige vernietiging van de mensheid, en daarmee de volledige vernietiging van het leven op deze aarde, ofwel de geboorte van een nieuwe mens. In zijn laatste boek Jaren van voorbereiding beschrijft hij zijn werdegang van de afgelopen tien jaar, wat eindigt met zijn benoeming door Bhagwan tot ambassadeur in Nederland.
In 1978 schrijft Foudraine een boek om in te gaan op alle (voor)oordelen, die andere sannyasins hebben en ook de schrijvende pers, dit alles versterkt omdat er heel veel gaande is rondom Bhagwan.
In februari 1997 wordt Wie is van hout herdrukt en verschijnt met tweemaal 5000 exemplaren. Een goed moment, want een half jaar later verschijnt Bunkerbouwers, waarin Foudraine nog eens zijn visie geeft over medicatie en de biologische psychiatrie. In januari 1998 verschijnt de vijfde druk en in 1999 geeft Ambo een pocketeditie uit. Ook met dit boek krijgt hij weer de nodige aandacht van de media, maar niet alleen van de media, ook veel collega psychiaters laten van zich horen. Met de DSM veegt hij de vloer aan. Voor hem is innerlijke bewustwording het allerbelangrijkste. In januari 1998 laat hij zijn BIG-registratie verlopen, uit protest omdat hij de biologische benadering van mensen met psychiatrische problematiek alleen maar ziet toenemen.

Beoordeling
Wat in de biografie nergens ter sprake komt, waarschijnlijk omdat Foudraine daar zelf nooit een woord aan gewijd heeft, is de vraag hoe de grote aantallen mensen die zich wenden tot de Geestelijke Gezondheidszorg geholpen zouden kunnen worden op de manier die Foudraine voorstaat. Soms is hij jaren met een cliënt bezig, gesprekken duren soms uren en hij staat 7/24 uur voor hen klaar. Cliënten herinneren zich zijn zeer directe en confronterende aanpak.
Aan het eind van zijn leven wordt hij zo goed als blind en een been wordt geamputeerd. Wel heeft hij dan nog contacten met collega’s uit heel Europa, maar de contacten met zijn cliënten begint hij langzamerhand af te bouwen. Hij overlijdt na liefdevol door Marijke verzorgd te zijn, op 27 februari 2016.

Een prachtig geschreven biografie, zeer de moeite van het lezen waard, over een man die destijds zeer spraakmakend was door zijn vernieuwende gedachten over behandeling van psychiatrische patiënten, zijn zoektocht naar de vraag waar het nu werkelijk om gaat in het leven, en door de onverzettelijke zendingsdrang die hij daarbij aan de dag legde, waarmee hij veel mensen voor zich heeft ingenomen, maar even zoveel mensen en collega’s van zich afgestoten en vervreemd.
De grote kracht van de biografie is ook dat er nergens gepsychologiseerd wordt, en interpretaties komen voor rekening van de lezer. Misschien daarmee ook de vraag en de interpretatie over hoeveel invloed hij nu werkelijk heeft gehad, zowel in zijn benadering van patiënten, en de vraag naar hoeveel invloed hij destijds heeft gehad als ambassadeur van het gedachtengoed van Bhagwan.

Eefje van Batenburg-Resoort



Beoordeling redactie:
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste