1885 Anna van Hogendorp
Politieke actie tegen prostitutie en vrouwenhandel
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In 1885 organiseerde Anna van Hogendorp een petitie aan de Tweede Kamer tegen de handel in vrouwen en meisjes. De petitie werd massaal ondertekend (15.000 handtekeningen) en leidde direct en indirect tot de eerste internationale verdragen over het strafbaar stellen van vrouwenhandel. Een ander petitionnement, in 1890, waarvan zij ook een van de organisatoren was, zou 38.000 handtekeningen tegen de reglementering van de prostitutie opleveren. De organisatie achter deze petities was de Nederlandsche Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn (NVVZB, kortweg: de Vrouwenbond), in 1884 opgericht. Anna van Hogendorp speelde bij de oprichting een centrale rol en haar oudere zus Marianne Klerck-van Hogendorp was landelijk voorzitter.

Anna van Hogendorp (1841-1915) werd geboren in een Haagse adellijke familie. Zij was de jongste dochter van jonkheer Dirk van Hogendorp en jonkvrouw Marianne Catherina van Hogendorp. Haar vader was raadsheer in het Gerechtshof en buitengewoon lid van de Tweede Kamer, maar Anna heeft hem eigenlijk niet gekend omdat hij overleed toen zij vier was. Haar moeder was sociaal-evangelisch bewogen en actief in de armenzorg. Anna werd in haar jeugd en latere leven sterk beïnvloed door het orthodox-protestantse Réveil, een religieuze opwekkingsbeweging waar haar beide ouders aanhangers van waren. De predikant Ottho Heldring was binnen het Réveil de voorman van de sociaalgerichte vleugel. Haar moeder betrok Anna bij het armenwerk onder behoeftige weduwen. Heldrings opvangwerk van prostituees in Asyl Steenbeek in Zetten inspireerde Anna in 1878 tot het schrijven van een essaybundel Het Opstandingshuis aan de Linge.

Via hun jongste broer Henrik raakten de zussen Van Hogendorp eind jaren zeventig intensief betrokken bij het abolitionisme, de strijd tegen reglementering en regulering van de prostitutie. De Franse keizer Napoleon had een zogenaamd reglementeringsstelsel ingesteld, om te voorkomen dat zijn soldaten geveld werden door de dodelijke geslachtsziekte syfilis. Prostituees werden gedwongen zich tweemaal per week op geslachtsziektes te laten controleren. Na de Franse tijd (1810-1813) bleven veel Nederlandse steden registreren en controleren. Vanaf 1877 ontstond georganiseerd verzet tegen wat de tegenstanders zagen als sanctioneren, faciliteren en mogelijk maken van prostitutie. Het verzet werd gebundeld in de Nederlandsche Vereeniging tegen Prostitutie (NVP), in 1879 opgericht door dominee Hendrik Pierson, die Heldring was opgevolgd als directeur van de tehuizen in Zetten.

Vrouwen waren uitgesloten van de NVP omdat de mannen deze politieke strijd als een mannendomein beschouwden. Maar in 1883 maakte Anna van Hogendorp samen met haar zussen Marianne en Wilhelmine kennis met de Britse zedelijkheidsactiviste Josephine Butler. Zij was één van de belangrijkste gastspreeksters op een congres van de internationale federatie van prostitutiebestrijders in Den Haag. De woorden van Butler waren hen uit het hart gegrepen, in de woorden van Anna: “De Staat, de vertegenwoordiger der Gerechtigheid, mag geen verdrag aangaan met de zonde”. Met steun van Butler richtten Anna en Marianne in 1884 de al eerder genoemde Vrouwenbond op. Na de oprichting in 1884 had de Vrouwenbond al snel 700 leden, na vijf jaar waren er 3000 leden. Begin 1900 stond de teller op 5500, waarmee de Vrouwenbond binnen de vrouwenbeweging de grootste organisatie was.

Anna van Hogendorp was bestuurslid en presidente van de afdeling Den Haag en Scheveningen van de Vrouwenbond. De bond hield zich niet alleen bezig met politieke druk uitoefenen, maar was ook een liefdadigheidsorganisatie. In de grotere steden had de bond tehuizen voor de opvang van meisjes van het platteland die op zoek waren naar een baan als dienstbode. Affiches met de naam en adres van het tehuis werden opgehangen in wachtkamers op treinstations, ter voorkoming van prostitutie. De bond bemiddelde ook tussen werkgeefsters en kandidaat-dienstbodes. Plaatselijke afdelingen werden opgericht, die vrouwen in de provincie de kans boden om zich in te zetten voor de zedelijkheid. Sommige afdelingen organiseerden gezellige avonden om de meisjes van de straat te houden, andere afdelingen verzorgden zieke (door syfilis) prostituees.

Mede als gevolg van de door Anna van Hogendorp georganiseerde petities verdween rond 1900 de reglementering van prostitutie. Nu dit doel was bereikt richtte de Vrouwenbond zich met andere organisaties op een wet tegen bordelen. Het leverde niet meteen resultaat op, maar uiteindelijk werd in 1911 de Wet tot bestrijding van zedeloosheid aangenomen, waarbij het houden van een bordeel werd verboden en prostitutie en vrouwenhandel strafbaar werden gesteld. De wetgeving omtrent prostitutie uit 1911 bleef officieel tot 2000 in stand. In 2000 werd het bordeelverbod opgeheven.

Publicatiedatum: 28-08-2014
Datum laatste wijziging :13-10-2014
Auteur(s): Ellen Verpoorten,
Verwante vensters
Verder studeren
Literatuur
  • Bas Holzer (1991), ‘De vrouw alleen kan dit werk ter harte nemen, want de vrouw alleen kan het begrijpen.’ De Nederlandse Vrouwenbond tot Verhooging vh zedelijk Bewustzijn en de ontwikkeling van het Ned. feminisme,  Comenius, 1991, p. 363 - 380.
  • Hanneke Hoekstra (2005), Het hart van de natie: morele verontwaardiging en politieke verandering in Nederland 1870 – 1919. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Woltera den Tex (1999), Gevaarlijke vrouwen, in: Zijwind, 1999, nr. 4, p. 5–7.
  • Externe link Petra de Vries (1997), Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen. De reglementering en bestrijding van prostitutie in Nederland, 1850-1911. Hilversum: Verloren.
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste