De stille krachten van de verzorgingsstaat Marcel Spierts
De stille krachten van de verzorgingsstaat
Geschiedenis en toekomst van sociaal-culturele professionals

Van Gennep, Amsterdam, 2014
ISBN 9789461642455
€ 24.90
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
De stille krachten van de verzorgingsstaat. Geschiedenis en toekomst van sociaal-culturele professionals is de titel van de handelseditie van het proefschrift van Marcel Spierts. Een proefschrift in een vorm waarin we ze tegenwoordig weinig meer zien: ruim vierhonderd bladzijden, breed opgezet en ruim voorzien van historische beschrijvingen en toekomstvisies. Het is voor alles een sympathiek boek: alle gemor op professionals ten spijt, voor Marcel Spierts staat vast dat sociaal-cultureel werk een vak is met een goed te omschrijven harde kern, en dat dat vak alle waardering verdient. Zijn geschiedschrijving is voor alles een poging tot een reconstructie van die harde kern – hij spreekt niet voor niets over een genealogie, en zijn conclusie is voor alles een lofzang op het belang van het vak. Het is ook niet zonder reden dat het proefschrift een titel had die afwijkt van die van de handelseditie. De ondertitel van het proefschrift luidt: De precaire professionalisering van de sociaal-culturele beroepen. Het woordje ‘precair’ is weggevallen − de grondtoon van Spierts’ boek is immers die van een stevig verankerd geloof in de professionaliteit van het vak.

Hoe overtuigend is die boodschap? Als politiek statement aansprekend, maar als empirische constatering beperkt onderbouwd. Het begin van Spierts’ redenering ligt in een historische reconstructie waaruit duidelijk wordt dat het sociaal-cultureel werk diepe wortels heeft. Met de opkomst van een verlichte burgerij en de uitbouw van de verzorgingsstaat ontstond goed een eeuw geleden ook het sociaal-cultureel werk. Spierts schetst een aantal episodes uit die ontwikkeling.
De interessante vraag is echter of daarmee ook een vak ontstond met een duidelijke professionaliteit. Het ontstaan van werksoorten en beroepen is immers niet per definitie te herleiden tot een vakinhoudelijke ontwikkeling van een beroep: vaak is het eerder de externe roep om een specifieke functie die tot de groei van een professie leidt, ook al blijft de beroepsinhoud matig. Een goed voorbeeld zijn klinisch psychologen: ook al stellen ze het graag anders voor, de inhoud van hun vak is betrekkelijk schraal – ze hebben nauwelijks een goed antwoord op de vraag hoe levens die jarenlang een fout spoor zijn ingeslagen, weer in een goede richting gebogen kunnen worden.
Tegelijkertijd zijn er heel veel mensen die wel behoefte hebben aan een nieuwe richting. De vraag naar psychologische hulpverlening is daarom al jaren groot, zeker als dat gepaard gaat met een betrekkelijk genereuze vorm van collectieve financiering. Dat heeft geleid tot een omvangrijke beroepsgroep van klinisch psychologen. Dat maakt het echter nog geen duidelijke professie – iets wat ook blijkt uit de eindeloze strijd rond titels als ‘klinisch psycholoog’, ‘gezondheidspsycholoog’ en ‘eerstelijnspsycholoog’. Het zijn vooral pull-factoren (vraag uit de samenleving) die het vak groot hebben gemaakt, en geen push-factoren (inhoudelijke vakontwikkeling). Met het sociaal-cultureel werk zou het wel eens hetzelfde kunnen zijn: er was behoefte aan allerlei vormen van conflictbeheersing en -bemiddeling in specifieke wijken, en dat leidde tot de groei van het sociaal-cultureel werk – maar daarmee is nog niet gezegd dat het ook vakinhoudelijk hoog scoort. Sterker nog: de professionalisering van het sociaal-cultureel werk lijkt me op sommige punten zelfs geremd door de voortdurende wisselingen in de precieze verlangens van de buitenwereld ten opzichte van de professie.

Spierts is betrekkelijk mild over de geschiedenis. Het sociaal- cultureel werk heeft altijd betrekkelijk alleen gestaan in zijn professionaliseringsopgave. Het feit dat de universitaire wereld nauwelijks betekenis heeft (gehad) voor de professionalisering van het sociaal-cultureel werk, merkt hij haast gelaten op – terwijl eerst de grote opgeklopte verwachtingen rond de andragologie en niet lang daarna de vernietigende stereotypering van Achterhuis het vak jaren op achterstand hebben gezet. En financiers hebben zich evenmin stevig ingespannen om het vak verder te ontwikkelen. Je had daar een stevig punt van kunnen maken. In plaats van die strijd aan te gaan, concentreert Spierts zich op zijn reconstructie van de kern van de professionaliteit van het sociaal-cultureel werk. Die ligt volgens hem in het activeren. Aan de hand van een vijftal kenmerken (aansluiten en afstemmen; empowerment; partnership; arrangeren en ensceneren; verbinden) voorziet hij het vak van een nadere omschrijving. Over de precieze invulling valt te debatteren, maar dat dit zo ongeveer de hoofdlijnen zijn van het werk van ‘sociaal-culturele professionals’ is heel plausibel.

Levert dat een wenkend toekomstperspectief op? De betrekkelijke afwezigheid bij Spierts van een perspectief op de vraagkant (wie zit er te wachten op sociaal-culturele professionals?) en een focus op de aanbodzijde (wat heeft het vak te bieden?) resulteert erin dat de vraag naar de toekomstige plaats van sociaal-culturele professionals maar beperkt uit de verf komt. Zo lijkt er tegenwoordig onder de noemer ‘burgerkracht’ weer een light-variant van het Achterhuisdenken rond te waren die professionals primair ziet als ondersteuners die vooral niet het initiatief en de actieverantwoordelijkheid van burgers moeten overnemen – Spierts heeft daar geen echt antwoord op. Hij heeft het niet zo op die ontwikkeling, zoveel is duidelijk – het vak heeft immers zo veel te bieden – maar daarmee gaat hij voorbij aan de kernvraag hoe wenselijk het is dat het sociaal-culturele beroepsbeoefenaren zijn die allerlei taken op zich nemen.

Op een vergelijkbare manier blijft onhelder wat de rol van verschillende actoren zou moeten zijn bij de verdere ontwikkeling van het vak. Hij schetst daartoe een aantal contouren van een verdere professionalisering die verder verloopt via een systeem van werkplaatsen waar onderlinge uitwisseling vorm kan krijgen. Een goed te verdedigen standpunt, maar helaas zeker niet het hele verhaal. Wat is de rol van het onderwijs in dit proces, wat die van de wetenschap, de financiers, de overheid, en wat die van professionals zelf? De verdere ontwikkeling van het vak zal de komende jaren sterk afhangen van de inzet door en de interactie tussen deze actoren. Men kan daar overigens betrekkelijk somber over zijn. Het is jammer dat Spierts zich niet gewaagd heeft aan een meer institutioneel antwoord op de vraag hoe professionalisering verder vorm kan en moet krijgen – dan hadden de verschillende partijen ook een agenda kunnen afleiden uit zijn uitgebreide analyse. Nu moeten ze volstaan met de mededeling dat het vak al gedurende decennia een goed te omschrijven kern heeft. Ik betwijfel of dat velen in vuur en vlam zal zetten – hoe sympathiek de boodschap ook is.

Peter van Lieshout is lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

Deze recensie verscheen eerder in het Tijdschrift voor sociale vraagstukken, ZOMER 2014, nummer 2, p. 48-49.

Marcel Spierts ontving in februari 2015 voor deze studie de De La Courtprijs. Lees hier de verkorte versie van zijn toespraak.

Over de auteur:
Marcel Spierts is zelfstandig onderzoeker en publicist op het gebied van sociaal werk, educatie en cultuur. Hij werkte lang als docent en onderzoeker aan de Haagse Hogeschool en de Hogeschool van Amsterdam. Bij de laatste was hij verantwoordelijk voor de oprichting van Youth Spot, het onderzoeks- en praktijkcentrum voor jongerenwerk. Gedurende vijftien jaar maakte hij deel uit van de redactie van het Tijdschrift voor sociale vraagstukken en diens voorgangers. Van zijn hand verschenen drie boeken over de sociaal-culturele beroepen: Balanceren en stimuleren, Beroep in ontwikkeling, en Werken aan openheid en samenhang.

Speciale aandacht voor Deel II - Historische reconstructie: de- en reprofessionalisering

eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste